Staat
De staat heeft een grondgebied, een bevolking en er is sprake van uitoefening van gezag of macht.
Beheert geweldsmonopolie.
Staatsrecht
Het geldende recht inzake de inrichting van de overheidsorganisatie en haar machtsuitoefening. Regelt de
instelling van overheidsambten en de verdeling van bevoegdheden tussen de overheidsambten.
1. Overheid wordt ingesteld (constitueren)
2. Aan deze ambten worden bevoegdheden toegekend (attribueren)
3. Onderlinge verhouding wordt geregeld, bevoegdheden krijgen grenzen (reguleren)
Legitimerende functie
Het staatsrecht moet zekerheid bieden omtrent de inrichting van de overheidsorganisatie, de verhoudingen
tussen de overheidsambten en verdeling van bevoegdheden. Rechtszekerheid en continuïteit.
Formele constitutie
De grondwet. De belangrijkste regels inzake het staatsbestel en formuleert de grondrechten van de burgers.
Materiële constitutie
De grondwet tezamen met andere wetten.
Machtenscheiding
Gebaseerd op de theorie van de trias politica van Montesquieu om absolute overheidsmacht te voorkomen.
Evenwichtige spreiding en balancering van bevoegdheden over de staatsmachten.
1. Drie typen werkzaamheden in de staatsorganisatie waren te onderscheiden.
o De wetgevende macht
Het stellen van algemene regels (wetgeving).
o De uitvoerende macht
Het handhaven en uitvoeren van wetgeving (bestuur).
o De rechterlijke macht
De berechtiging van geschillen en van strafbare feiten (rechstpraak).
2. De machtenscheiding is niet absoluut. Op het terrein van wetgeving en bestuur is sprake van gedeelde
bevoegdheden van regering en Staten-Generaal.
3. Vormen van controle te voorkomen dat een van de staatsmachten ongecontroleerde macht uitoefent.
Checks and balances
Gedeelde bevoegdheden en controle tussen de staatsmachten. Uitsluiting van rechtspraak, hierbij is geen
sprake van gedeelde bevoegdheden (art.112 GW), de meest strikte scheiding.
Controlemechanismen kunnen inbreuk maken op de zelfstandigheid, onafhankelijkheid en gelijkwaardigheid
van de staatsmachten.
Onverenigbaarheid (art. 57 GW)
Afzonderlijke positie van ministers ten opzichte van het parlement.
De grondwet benadrukt vooral de onafhankelijke en zelfstandige positie van de Staten-Generaal. Het
parlement bepaalt zijn eigen werkwijze.
,Parlementaire immuniteit (art. 71 GW)
Kamerleden kunnen voor hun mondelinge of schriftelijke bijdragen aan de parlementaire beraadslagen niet
voor de rechter gedaagd worden.
Rechterlijke macht (art. 117 GW)
Zelfstandigheid en onafhankelijkheid.
1. De benoeming van rechters voor het leven.
2. De beslissing tot schorsing en ontslag van rechters aan een gerecht van de rechterlijke macht.
3. De afzonderlijke wettelijke regeling.
Staat der Nederlanden
1. Constitutionele monarchie
Een erfelijk koningschap, bevoegdheden van de koning wordt beperkt en geregeld. (Hoofdstuk 2
paragraaf 1 GW).
2. Parlementaire democratie
Indirecte democratie via de volksvertegenwoordiger, de Staten-Generaal.
3. Gedecentraliseerde eenheidsstaat
Geregeerd vanuit het centrum van Den Haag.
4. Sociale verzorgingsstaat
De overheid moet zorgen voor haar burgers. De overheid is erg aanwezig, sociale grondrechten spelen
een grote rol. (vooral linkse partijen).
5. Democratische rechtsstaat
o Democratie
De wil van het volk beslist.
o Het legaliteitsbeginsel
Het overheidsoptreden dient te berusten op een wet, dit draagt rechtszekerheid en
rechtsgelijkheid bij. (Art. 1 GW)
o De machtenscheiding
o Onafhankelijke rechtspraak
De rechter mag geen zitting doen waar hij bij betrokken is.
o Grondrechten
GW hoofdstuk 1, EVRM en IVBPR
o Constitutie of grondwet
1840 Koninklijke besluiten moesten voortaan door een minister worden medeondertekend (contraseign).
1848 De koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk. Politieke ministeriële
verantwoordelijkheid (art. 42 GW).
Regeringsvorm
Betrekking op de verhouding tussen de verschillende ambten binnen één overheidsverband. Nederland is
een constitutionele monarchie en een parlementaire democratie.
Staatsvorm
De wijze van verdeling van bevoegdheden tussen het centrale overheidsverband en de andere
overheidsverbanden in de staat.
Gedecentraliseerde eenheidsstaat
Staatsvorm. Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Het overheidsgezag is verdeeld over
meerdere overheidsverbanden (provincies, gemeenten etc.)
, Federale staat
Staatsvorm. De nadruk ligt op de verdeling van de staat in zelfstandige deelgebieden, die samenwerken in
groter overheidsverband.
Statenbond
Geen staatsvorm, maar een verdragsconstructie. Een samenwerkingsverband van staten.
Koninkrijk
Kan beschouwt worden als een eigensoortig federaal samenwerkingsverband ‘op voet van gelijkwaardigheid’.
Het koninkrijk der Nederlanden is een voorbeeld. Nederland vormt met een aantal Caribische eilanden een
staatsrechtelijke verbinding op basis van het Statuut.
Europese Unie
Ook hierbij is er sprake van een eigensoortig samenwerkingsverband met federalistische trekken. Het
samenwerkingsverband van 28 lidstaten (inclusief Nederland) van de Europese Unie berust op internationale
verdragen.
Rechtsbronnen van constitutioneel recht hst 2
Formele constitutie
Sinds 1814 hebben wij de Grondwet. Om de grondwet te wijzigen dient een bijzonder procedure aan de
gang. Hogere rechtskracht dan gewone wetgeving.
Materiële constitutie
Het geheel van geschreven en ongeschreven rechtsregels die op grond van hun inhoud kunnen worden
aangemerkt als normen die de grondslagen van de inrichting van de staatsorganisatie en de verhouding met
de burgers vastleggen. Bevoegdheden en dergelijke.
Grondwet
1. Niet sterk ideologisch getint
De grondwet verwoordt geen hogere beginselen die aan de vaststelling ervan ten grondslag liggen.
2. Open rechtssysteem
Veelal beperkt de grondwet zich tot regeling van enkele hoofdzaken. Over motieven zegt de grondwet
niks.
Vb. art. 64 GW Kamerontbinding, het zegt dat de regering is bevoegd tot ontbinding en dat er
vervolgens een nieuwe kamer moet optreden. Het grondwetartikel regelt niet op welke gronden of
omstandigheden de Kamer ontbonden mag worden.
3. Het Nederlandse constitutionele recht voorziet niet in één centrale instantie die met de uiteindelijke
uitleg en handhaving van de Grondwet belast is.
Toetsingsverbod (art. 120 GW)
De rechter mag geen wetten toetsen aan de Grondwet. Komt bijna alleen in Nederland voor.
Opzet van de grondwet
De grondwet regelt de voornaamste elementen en de stabiliteit van de staatsorganisatie.
1. Een algemene regeling voor regering, Staten-Generaal en bestuursorganen.
2. Uitoefening van bevoegdheden van wetgeving en bestuur.
3. Regeling van de herzieningsprocedure. De drie overheidsfuncties wetgeving, bestuur en rechtspraak.