College 5 en 6: Het Jonge Kind Ineke Oenema-Mostert
Theoretische onderbouwing
Early childhood: interventies in gezinnen met jonge kinderen binnen de gehandicaptenzorg.
Bepalend voor de ontwikkeling van een jong kind zijn: het gezin/milieu, genen/aanleg,
hersenontwikkeling, mate waarin het kind gestimuleerd wordt, verschillende ontwikkelingsdomeinen
(taal, cognitie, motoriek, zelfredzaamheid, sociaal emotionele ontwikkeling), interactie ouder-kind, zelf
ontdekken/ autonomie, competentie/ het zelf kunnen.
Autonomie, competentie en relatie: basisbehoeften van een jong kind.
In de hersenen wordt het deel van emotie geactiveerd als je naar gezichten kijkt. Bij kinderen met
autisme of PDDNOS is dit anders. Aanleg van autisme al in de eerste levensjaren.
Early Childhood
Intervention: Early Chilhood Intervention: is moeilijk bij het jonge kind omdat niet altijd te
zeggen valt of het effect door de interventie of door de natuurlijke ontwikkeling veroorzaakt
wordt. Bij de analyse van het probleem kijk je naar het kind én de context. Het is een
wisselwerking. Als ouders/leerkracht handelingsverlegenheid tonen naar de orthopedagoog
moet je samen optrekken om een interventie te gaan doen. Doe dit ook met milde
problematiek, preventie!
Je moet zicht krijgen op de onderbouwing van een interventie: waarom deze interventie?
Hierbij kijken naar de theorie, klinisch (vragen uit gezin, onderwijs) en onderzoek. Je maakt
een keuze aan de hand van de hulpvraag van de doelgroep aan de hand van een voorbeeld.
Early childhood interventions (ECI) inbedden in de
orthopedagogiek. Er zijn altijd
ontwikkelingsmogelijkheden, hierbij aansluiten op de
ontwikkeling. Gedrag kun je voorkomen, verminderen of
problemen in gedrag oplossen. Er is differentiatie tussen
OPB (opvoeden en ondersteunen van mensen met een
beperking), LOB (leer en onderwijsproblemen) en
jeugdzorg.
De vier w-vragen:
wie? (over wie gaat het?),
wat? (is het probleem?),
waarom? (ontstaan problemen op deze manier?) en
hoe? (gaan we deze problemen oplossen?).
Waarom (theoretisch onderbouwing) wat je doet moet
uitgelegd worden aan de hand van hoe en waarom. Hierbij kijken naar:
- Mogelijkheden van de community: hoe kijkt de gemeenschap (stad/dorp) er tegen
aan?
- Contextuele ondersteuning: in hoeverre hebben ouders de ruimte om even een dagje
uit te gaan zonder kinderen of in de context.
- De leermogelijkheden van een kind.
Evidence based
Centraal begrip: problemen in de opvoedingssituatie; de
ontwikkeling van het jonge kind.
Preventie
Een orthopedagogische interventiemodel (kind en opvoeder)
Theoretische- en internationale wetenschappelijke
onderbouwing ECI
Zicht krijgen op de onderbouwing van ECI:
Theoretisch, klinisch, onderzoek. Onderbouwde keuze
interventieprogramma gelet op de hulpvraag van de doelgroep.
Hechting- betrokkenheid: bij jonge kinderen gaat het om de
betrokkenheid van kind en opvoeder. Door hechting, aan het werk gaan om stappen
te maken in de ontwikkeling.
1
Theoretische onderbouwing
Early childhood: interventies in gezinnen met jonge kinderen binnen de gehandicaptenzorg.
Bepalend voor de ontwikkeling van een jong kind zijn: het gezin/milieu, genen/aanleg,
hersenontwikkeling, mate waarin het kind gestimuleerd wordt, verschillende ontwikkelingsdomeinen
(taal, cognitie, motoriek, zelfredzaamheid, sociaal emotionele ontwikkeling), interactie ouder-kind, zelf
ontdekken/ autonomie, competentie/ het zelf kunnen.
Autonomie, competentie en relatie: basisbehoeften van een jong kind.
In de hersenen wordt het deel van emotie geactiveerd als je naar gezichten kijkt. Bij kinderen met
autisme of PDDNOS is dit anders. Aanleg van autisme al in de eerste levensjaren.
Early Childhood
Intervention: Early Chilhood Intervention: is moeilijk bij het jonge kind omdat niet altijd te
zeggen valt of het effect door de interventie of door de natuurlijke ontwikkeling veroorzaakt
wordt. Bij de analyse van het probleem kijk je naar het kind én de context. Het is een
wisselwerking. Als ouders/leerkracht handelingsverlegenheid tonen naar de orthopedagoog
moet je samen optrekken om een interventie te gaan doen. Doe dit ook met milde
problematiek, preventie!
Je moet zicht krijgen op de onderbouwing van een interventie: waarom deze interventie?
Hierbij kijken naar de theorie, klinisch (vragen uit gezin, onderwijs) en onderzoek. Je maakt
een keuze aan de hand van de hulpvraag van de doelgroep aan de hand van een voorbeeld.
Early childhood interventions (ECI) inbedden in de
orthopedagogiek. Er zijn altijd
ontwikkelingsmogelijkheden, hierbij aansluiten op de
ontwikkeling. Gedrag kun je voorkomen, verminderen of
problemen in gedrag oplossen. Er is differentiatie tussen
OPB (opvoeden en ondersteunen van mensen met een
beperking), LOB (leer en onderwijsproblemen) en
jeugdzorg.
De vier w-vragen:
wie? (over wie gaat het?),
wat? (is het probleem?),
waarom? (ontstaan problemen op deze manier?) en
hoe? (gaan we deze problemen oplossen?).
Waarom (theoretisch onderbouwing) wat je doet moet
uitgelegd worden aan de hand van hoe en waarom. Hierbij kijken naar:
- Mogelijkheden van de community: hoe kijkt de gemeenschap (stad/dorp) er tegen
aan?
- Contextuele ondersteuning: in hoeverre hebben ouders de ruimte om even een dagje
uit te gaan zonder kinderen of in de context.
- De leermogelijkheden van een kind.
Evidence based
Centraal begrip: problemen in de opvoedingssituatie; de
ontwikkeling van het jonge kind.
Preventie
Een orthopedagogische interventiemodel (kind en opvoeder)
Theoretische- en internationale wetenschappelijke
onderbouwing ECI
Zicht krijgen op de onderbouwing van ECI:
Theoretisch, klinisch, onderzoek. Onderbouwde keuze
interventieprogramma gelet op de hulpvraag van de doelgroep.
Hechting- betrokkenheid: bij jonge kinderen gaat het om de
betrokkenheid van kind en opvoeder. Door hechting, aan het werk gaan om stappen
te maken in de ontwikkeling.
1