Descent with modification, ‘afstamming met veranderingen’ gebruikte Darwin eerst i.p.v. evolutie.
Darwin dacht dat de vele soorten op aarde allemaal afstammelingen waren van een voorouderlijke
soort die gedivergeerd is tot alle soorten van vandaag de dag.
Evolutie, een verandering van de genetische samenstelling van een populatie ‘over time’.
Adaptaties, hangen samen met soortvorming ontdekte Darwin op zijn reis. We spreken van adaptatie
met betrekking tot een bepaald kenmerk, als dat kenmerk (een structuur of gedrag)
zinvol/functioneel is in relatie tot de omgeving van het betreffende organisme.
Domesticatie, zorgt voor adaptaties. Kijk maar naar een herdershond vs een chihuahua. De huidige
wolf en honden hebben een gezamenlijke voorouder. Zo hebben ook alle katachtigen een gezamenlijk
voorouder, maar daar zijn uiteindelijk rassen ontstaan uit de soorten (duurt héél lang).
Kunstmatige selectie, bij planten kan je ook selecteren op bepaalde kenmerken. Zo hebben de
bloemkool, broccoli en spruiten allemaal eenzelfde voorouder. Het ligt er maar net aan welke
kenmerken je wil behouden om mee voort te planten.
Gedomesticeerde soorten, zijn steeds minder goed aangepast aan de omgeving, vandaar dat we
kassen hebben en pesticiden gebruiken. We hebben o.a. het gif en de bitterheid uit planten gehaald.
Kenmerken die interessant zijn van planten:
- Alle zaden rijpen tegelijkertijd
- Geen natuurlijke lozing van zaden (die zou je anders kwijtraken)
- Vergrootte zaadgrote
- Dunnere laag om het zaadje
- Synchroon bloeien van meerdere planten tegelijk etc.
Darwin beschreef 4 observaties van de natuur: (cruciale ingrediënten van evolutie)
1. Leden van een populatie variëren vaak in overerfbare eigenschappen.
2. Alle soorten produceren meer nageslacht dan de omgeving aankan en veel van dit nageslacht
overleeft het niet.
3. Er is competitie over bronnen (struggle for
survival)
4. Erfelijkheid: goede eigenschappen, die
overleving en reproductie stimuleren,
worden aan het nageslacht meegegeven.
Uit deze observaties volgt:
1. Individuen wiens geërfde eigenschappen
ervoor zorgen dat ze meer kans hebben om
te overleven en te reproduceren in een
bepaalde omgeving, laten ze meestal meer
nageslacht achter dan andere individuen.
(survival of the fittest)
2. De ongelijkheid tussen individuen qua overleven en reproduceren zal tot de accumulatie
leiden van goede eigenschappen in de populatie na verloop van generaties. (better adapted)
Als dus aan de 4 observaties wordt voldaan, zal als gevolg van natuurlijk selectie de genetische
samenstelling van die populatie in volgende generaties zijn.
Exponentiële groei, soms leidt overproductie tot exponentiële groei, bv konijn in AUS. Dit zal er
uiteindelijk toe leiden dat er veel te veel individuen zijn, waardoor competitie plaatsvindt, de
populatie af zal nemen en rond een evenwichtsstand gaat schommelen. De bronnen van de omgeving
groeien namelijk niet mee (nemen soms zelfs af).
Logistieke groei, schommelende groei rond een evenwichtsstand. (←↑ van J- naar S-curve)
Hoe meer genen voor een eigenschap coderen, hoe minder makkelijk en snel je het kan zien/merken
bij overerving.
Bewijs evolutie:
1. Fossielen