BLOK 1
Anatomie en fysiologie
,Inhoud
Anatomie en fysiologie: H.2 p 31-48..........................................................................2
Anatomie en fysiologie: H. 6 p 122-129.....................................................................5
Anatomie en fysiologie: H.8 p 195-198............................................................................ 8
Anatomie en fysiologie: H.10 p 223-234..................................................................10
Anatomie en fysiologie: H.16 p 423-447..................................................................13
Anatomie en fysiologie: H.17 p. 449-460.................................................................15
Anatomie en fysiologie: H.18 p.461-479..................................................................17
PAGINA 1
, Anatomie en fysiologie: H.2 p 31-48
Metabolisme, stofwisseling, is het geheel van biochemische reacties in levende cellen.
Anabole reacties = assimilatie = bouw van lichaamseigenstoffen voor opslag, groei, herstel en
onderhoud. Kleine moleculen grote moleculen = kost energie. Opbouwstofwisseling.
Katabole reacties = dissimilatie = afbraak van stoffen waarbij energie vrijkomt. Grote moleculen
kleine moleculen = energie komt vrij. Afbraakstofwisseling.
Verbranding = aerobe dissimilatie = celademhaling = afbraakreactie = katabole reactie
Verbranding glucose: glucose + zuurstof energie + water + koolstofdioxide
Verbranding van vetten: vetten + zuurstof energie + water + koolstofdioxide + afvalstoffen
Anaerobe dissimilatie: glucose energie + melkzuur + water
Stof die energie kan opladen heel adenosinedifosfaat, ADP. Als er een derde fosfaatmolecuul (P)
aan ADP wordt gebonden heet de stof adenosinetrifosfaat, ATP. Deze derde fosfaatbinding heet een
energierijke binding. ATP bewaart energie, ADP laadt energie op.
ADP + P + energie ATP ADP + P + energie
Enzymen zijn altijd eiwitten en worden door het lichaam zelf gemaakt. Ze versnellen biochemische
reacties en worden hierbij niet zelf verbruikt of veranderd. Ze zijn reactiespecifiek,
temperatuurspecifiek en zuurgraadspecifiek. Vaak hebben ze een bepaalde stof nodig die meehelpt
om de reactie goed te laten verlopen, een co-enzym. Enzymen worden vernoemd naar de stof die
ze splitsen:
- Lipase splitst lipide, vet
- Amylase splitst amylum, zetmeel
- Proteïnasen splitsen proteïnen, eiwitten
Een cel is gevuld met cytoplasma, protoplasma, een geleiachtig vocht. Het cytoplasma bevat
structuren, elk gespecialiseerd in een functie. Deze structuren worden organellen genoemd. Het
waterige deel van de cel wordt aangeduid met cytosol. Het cytoplasma en de meeste organellen
worden omgeven door de celmembraan, plasmamembraan.
In een levende cel vinden voortdurend stofwisselingsactiviteiten plaats. De celmembraan schermt
de intracellulaire ruimte af van het omringende milieu in de extracellulaire ruimte. De celmembraan
bestaat uit een dubbele laag fosfolipiden, met daartussen cholesterolmoleculen. De fosfaatroep is
hydrofiel. De vetverbinding (lipide) is hydrofoob. Een celmembraan is vloeibaar en waterafstotend.
Structuren in de celmembraan zijn: cholesterol-moleculen, membraanporiën, receptoreiwitten en
glycocalix.
1. Celmembraan 10. Centrosoom
2. Lysosoom 11. Cytoplasma
3. Mitochondrium 12. Golgicomplex
4. Nucleus (celkern)
5. Nucleoplasma
6. Kernporie
7. Nucleolus
8. Ribosomen
9. Endoplastisch reticulum
PAGINA 2