Kenmerkende aspecten hoofdstuk 1.
1. Levenswijze van jagers en verzamelaars
Kenmerken van de levenswijze was natuurlijk jagen en verzamelen. Jagers-
verzamelaars trokken rond in kleine groepen en hadden dus geen vaste woonplaats.
In de samenleving van jagers-verzamelaars waren er geen leiders, iedereen was gelijk
aan elkaar: egalitair.
2. Ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen.
Door gunstige weersomstandigheden was er heel veel voedsel te vinden in de natuur.
Hierdoor hoefden de mensen niet meer rond te trekken. Toen het weer niet meer zo
gunstig was, ging de samenleving opzoek naar een andere manier om niet rond te
hoeven trekken. In deze periode is dan ook waarschijnlijk de landbouw ontstaan.
Doordat er meer eten was kon de bevolking gaan groeien. De leefwijze van de
mensen veranderden. Ze gingen op een vaste plek wonen (sedentaire). Ze gingen dus
ook niet meer rondtrekken en gingen al ‘’huizen’’ bouwen, vaak gebouwd van hout
maar sommige ook al van steen. Er kwamen zo dus mensen op dezelfde plek te
wonen, deze dorpjes groeide uit tot steden.
In de landbouwsamenleving kwam er ook een verschil in aanzien. De boer met goede
en grotere oogsten dan de rest had een hoog aanzien en was vaak ook een soort van
leider.
3. Ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.
Door irrigatie landbouw kon er voor meer als alleen zelfvoorzienend geproduceerd
worden. Dat wilt dus zeggen dat niet iedereen boer hoeft te zijn. Ze konden zich gaan
specialiseren in andere beroepen, en het geld dat ze daarmee verdienden konden ze
dan eten van kopen bij de boeren.
Door de specialisatie kreeg je vaak dorpjes met mensen met hetzelfde beroep.
Hierdoor ontstonden er kleine steden: stadstaten.
1. Levenswijze van jagers en verzamelaars
Kenmerken van de levenswijze was natuurlijk jagen en verzamelen. Jagers-
verzamelaars trokken rond in kleine groepen en hadden dus geen vaste woonplaats.
In de samenleving van jagers-verzamelaars waren er geen leiders, iedereen was gelijk
aan elkaar: egalitair.
2. Ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen.
Door gunstige weersomstandigheden was er heel veel voedsel te vinden in de natuur.
Hierdoor hoefden de mensen niet meer rond te trekken. Toen het weer niet meer zo
gunstig was, ging de samenleving opzoek naar een andere manier om niet rond te
hoeven trekken. In deze periode is dan ook waarschijnlijk de landbouw ontstaan.
Doordat er meer eten was kon de bevolking gaan groeien. De leefwijze van de
mensen veranderden. Ze gingen op een vaste plek wonen (sedentaire). Ze gingen dus
ook niet meer rondtrekken en gingen al ‘’huizen’’ bouwen, vaak gebouwd van hout
maar sommige ook al van steen. Er kwamen zo dus mensen op dezelfde plek te
wonen, deze dorpjes groeide uit tot steden.
In de landbouwsamenleving kwam er ook een verschil in aanzien. De boer met goede
en grotere oogsten dan de rest had een hoog aanzien en was vaak ook een soort van
leider.
3. Ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.
Door irrigatie landbouw kon er voor meer als alleen zelfvoorzienend geproduceerd
worden. Dat wilt dus zeggen dat niet iedereen boer hoeft te zijn. Ze konden zich gaan
specialiseren in andere beroepen, en het geld dat ze daarmee verdienden konden ze
dan eten van kopen bij de boeren.
Door de specialisatie kreeg je vaak dorpjes met mensen met hetzelfde beroep.
Hierdoor ontstonden er kleine steden: stadstaten.