Hoofdstuk 1
Organiseren, organisatie en management
Organisatie: Menselijke verbanden waarin mensens gespecialiseerde taken uitvoeren en
hun activiteiten op elkaar afstemmen om zo tot gemeenschappelijke resultaten te komen.
Drie organisaties begrippen:
1. Institutioneel organisatiebegrip (het LUMC)
2. Instrumenteel organisatiebegrip (de bureaucratische organisatie,systeem)
3. Functionele organisatiebegrip (het organiseren zelf)
Organiseren: proces waarin taken worden verdeeld, op elkaar afgestemd en op het
gemeenschappelijke doel worden gericht
Management: Het beheersen van wat er in de organisatie gebeurt.
Drie managementbegrippen
1. activiteit: het tot stand brengen van afstemming tussen mensen voor gezamenlijk
resultaat
2. instrumenten: geheel van instrumenten (bv. projectmanagement)
3. groep mensen : de managers
Markt, hiërarchie en netwerk
Afstemmen door
1. markt: ruil door gelijkwaardige partijen vanuit eigenbelang
2. hiërarchie: gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer
3. netwerk: horizontale relaties op basis van vertrouwen
Organisatie als proces
Karl Weick: mensen stemmen handelen zo op elkaar af dat er een zinvol geheel ontstaat
met zinvolle resultaten.
,Organisatiekunde
Kern is
Universele vragen:
1. Hoe verdelen we de taken?
2. Hoe wijzen we taken toe aan mensen en groepen?
3. Hoe belonen we mensen voor wat ze bijdragen?
4. Hoe voorzien we mensen van de benodigde informatie
Universe componenten volgens Child
1. Structureel
Basisstructuur
Hiërarchie: niveaus,lagen, gezag, verantwoordingslijnen
Specialisatie: rollen,groepen, eenheden
Procedures
Regels en normen
Roosters
Systemen
2. Procesmatig
Integratie, coördinatie
Beheersing en sturing
Belonining
3. Grensoverschrijdend
Uitbesteden
Virtuele organisatie
Samenwerking
Organiseren over grenzen
Ontwikkeling van organisatieleer
Fase Tijdsvak Kenmerk Bekende namen
Geen leer tot 1900 traditie en recht
Moderne leer 1900-1950 technisch ontwerp, Winslow Taylor
(scientific rationele principes Henry Ford
management) Henry Fayol
Interdisc. 1950-1980 Empirisch Abraham Maslow
academische onderzoek, Henry Mintzberg
organisatiekunde gedragswetenschap Herbert Simon
pen Karl Weick
Groei en 1980-heden Groei en verbreding, Thijs Homan
differientatie adviesbureaus, veel
inzichten
, Bekende namen
Taylor: Grondlegger van Scientific management. Kenmerken: opsplitsen werk,
standaardisatie werkprocessen, individuele beloning, scheiding van planning en uitvoering.
Fayol: Maakte blauwdruk van bestuurlijke organisatie: Hiërarchie,helderheid en
eenduidigheid.
Maslow: aandacht voor menselijke behoeften
Henry Mintzberg: Ontwerp organisatie naar omstandigheden: Contingentietheorie
Herbert Simon: managers nemen geen optimale maar bevredigende beslissingen wegens
beperking reken en informatie vermogen
Thijs Homan: Postmodernisme, nadruk op menselijk handelen en betekenis.
Organisatie in schema’s
Organisatiebeelden van Morgan
Beeld Kenmerk
Machine Ontworpen organisatie,gesloten en passief.
Organisme Aanpassing,afstemming,ontwikkeling
Brein Processen en info verspreid. Zelfsturing
Cultuur Mini samenleving. Aandacht voor
symbolische
Politiek systeem Macht en invloed rond belangen
Psychische gevangenis (duistere) motieven achter structuren en
processen
Voortdurende stroom van verandering Organisatie als voortdurend proces
Instrument van overheersing Macht over anderen
Organiseren, organisatie en management
Organisatie: Menselijke verbanden waarin mensens gespecialiseerde taken uitvoeren en
hun activiteiten op elkaar afstemmen om zo tot gemeenschappelijke resultaten te komen.
Drie organisaties begrippen:
1. Institutioneel organisatiebegrip (het LUMC)
2. Instrumenteel organisatiebegrip (de bureaucratische organisatie,systeem)
3. Functionele organisatiebegrip (het organiseren zelf)
Organiseren: proces waarin taken worden verdeeld, op elkaar afgestemd en op het
gemeenschappelijke doel worden gericht
Management: Het beheersen van wat er in de organisatie gebeurt.
Drie managementbegrippen
1. activiteit: het tot stand brengen van afstemming tussen mensen voor gezamenlijk
resultaat
2. instrumenten: geheel van instrumenten (bv. projectmanagement)
3. groep mensen : de managers
Markt, hiërarchie en netwerk
Afstemmen door
1. markt: ruil door gelijkwaardige partijen vanuit eigenbelang
2. hiërarchie: gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer
3. netwerk: horizontale relaties op basis van vertrouwen
Organisatie als proces
Karl Weick: mensen stemmen handelen zo op elkaar af dat er een zinvol geheel ontstaat
met zinvolle resultaten.
,Organisatiekunde
Kern is
Universele vragen:
1. Hoe verdelen we de taken?
2. Hoe wijzen we taken toe aan mensen en groepen?
3. Hoe belonen we mensen voor wat ze bijdragen?
4. Hoe voorzien we mensen van de benodigde informatie
Universe componenten volgens Child
1. Structureel
Basisstructuur
Hiërarchie: niveaus,lagen, gezag, verantwoordingslijnen
Specialisatie: rollen,groepen, eenheden
Procedures
Regels en normen
Roosters
Systemen
2. Procesmatig
Integratie, coördinatie
Beheersing en sturing
Belonining
3. Grensoverschrijdend
Uitbesteden
Virtuele organisatie
Samenwerking
Organiseren over grenzen
Ontwikkeling van organisatieleer
Fase Tijdsvak Kenmerk Bekende namen
Geen leer tot 1900 traditie en recht
Moderne leer 1900-1950 technisch ontwerp, Winslow Taylor
(scientific rationele principes Henry Ford
management) Henry Fayol
Interdisc. 1950-1980 Empirisch Abraham Maslow
academische onderzoek, Henry Mintzberg
organisatiekunde gedragswetenschap Herbert Simon
pen Karl Weick
Groei en 1980-heden Groei en verbreding, Thijs Homan
differientatie adviesbureaus, veel
inzichten
, Bekende namen
Taylor: Grondlegger van Scientific management. Kenmerken: opsplitsen werk,
standaardisatie werkprocessen, individuele beloning, scheiding van planning en uitvoering.
Fayol: Maakte blauwdruk van bestuurlijke organisatie: Hiërarchie,helderheid en
eenduidigheid.
Maslow: aandacht voor menselijke behoeften
Henry Mintzberg: Ontwerp organisatie naar omstandigheden: Contingentietheorie
Herbert Simon: managers nemen geen optimale maar bevredigende beslissingen wegens
beperking reken en informatie vermogen
Thijs Homan: Postmodernisme, nadruk op menselijk handelen en betekenis.
Organisatie in schema’s
Organisatiebeelden van Morgan
Beeld Kenmerk
Machine Ontworpen organisatie,gesloten en passief.
Organisme Aanpassing,afstemming,ontwikkeling
Brein Processen en info verspreid. Zelfsturing
Cultuur Mini samenleving. Aandacht voor
symbolische
Politiek systeem Macht en invloed rond belangen
Psychische gevangenis (duistere) motieven achter structuren en
processen
Voortdurende stroom van verandering Organisatie als voortdurend proces
Instrument van overheersing Macht over anderen