Fysiologie= verklaren van fysische en chemische factoren die leven mogelijk maken.
Homeostase= handhaven van constante condities in het intern milieu.
Het menselijk lichaam bestaat uit 100 biljoen cellen; 25 biljoen rode bloedcellen en 75 biljoen andere
cellen.
Eigenschappen die in iedere cel hetzelfde zijn:
1. Zuurstof reageert met koolhydraten, vetten en eiwitten om energie vrij te maken
2. De metabole processen verlopen min of meer hetzelfde
3. De eindproducten van chemische reacties worden afgegeven aan de omgeving
4. De meeste cellen kunnen zich voortplanten.
Het menselijk lichaam bestaat voor 60% uit vloeistof: 2/3 intracellulair en 1/3 extracellulair (intern
milieu).Vloeistof wordt in twee fasen door het lichaam getransporteerd: eerst in het bloed en dan
tussen de cappilairen en de intercellulaire ruimte.
Bloed doorloopt de bloedsomloop in rust 1 keer per minuut en bij inspanning 6 keer per minuut.
De meeste stoffen worden door kinetische bewegingen uitgewisseld door de capillairwand, maar
eiwitten kunnen er niet uit.
De meeste cellen liggen niet meer dan 50 micrometer van een haarvat!
Oorsprong voedingsstoffen in het bloed:
Longen zorgen voor zuurstof. Alveolair membraan is 0,4-2 micrometer dik.
Spijsverteringsstelsel neemt koolhydraten, vetten en eiwitten op.
Lever bewerkt sommige stoffen tot hun bruikbare vorm of slaat ze op. De lever verwijdert ook
afvalstoffen.
Muscoskeletal system zorgt dat je eten kunt zoeken.
Afvoer afvalstoffen uit het bloed:
In de longen wordt CO2 verwijderd.
De nieren verwijderen urea (afvalproduct bij de eiwitstofwisseling), urinezuur (afvalproduct bij
afbraak purines) en een overmaat aan ionen en/of water. De nieren filteren de meeste vloeistof door
de glomerulus en nemen nuttige stoffen zoals glucose, water, ionen en aminozuren weer op.
Via het spijsverteringsstelsel worden veel stoffen die niet nodig zijn in de feces uitgescheiden.
De lever ontgift stoffen en scheidt veel afvalstoffen uit met de gal, die met de feces wordt
uitgescheiden.