Hoofdstuk 4
Constitutionele monarchie: een koninkrijk dat in staatsregeling is verankerd.
Parlement:
- Vertegenwoordiger van het volk
- 1e en 2e kamer= staten- Generaal
De leden van de 1e kamer worden via getrapte verkiezingen worden gekozen
Het volk kiest de leden van de provinciale staat
Die leden kiezen wie in de 1e kamer komt
De regering:
- het bestuur van ons land
- De koning en het kabinet (de ministers en de onderministers= staatssecretarissen)
Parlement & regering gezamenlijk:
- formele wetgever (wetten in formele zin)
- parlement controleert de regering
- vertrouwen onderling tussen parlement en regering
Grondwetherziening:
1840: Koning kon niet meer alleen beslissingen nemen.
Medeondertekening door een minister wordt contraseign genoemd.
1848: volledige ministeriele verantwoordelijkheid
Inlichtingenplicht: Ministers en staatssecretarissen moeten aan de kamers elk afzonderlijk
en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden inlichtingen
geven.
Vragenrecht: leden 1e en 2e kamer kunnen schriftelijk of mondeling vragen stellen.
Recht van interpellatie: hen ter verantwoording roepen.
Recht van enquête: 2e kamer heeft de mogelijkheid om zelf een parlementair
onderzoek te doen.
Recht van amendement: wetsvoorstel van de regering te wijzigen.
Ontbindingsregel: vertrouwen verloren, dan kan je 1e en/of 2e kamer ontbinden.
Vertrouwensregel: minister, staatssecretarissen of heel kabinet moet zijn ontslag aanbieden
als hij/zij het vertrouwen heeft verloren.
Motie van wantrouwen: mededeling van een meerderheid van de kamer dat men ernstige
kritiek heeft op het gevoerde beleid van 1 of meer ministers of staatssecretarissen.
Motie van treurnis/afkeuring: geen rechtsgevolg, maar moeilijk voor hem om zijn taak uit
te voeren.
Een lid van de 1e kamer kan niet tegelijkertijd lid zijn van de 2e kamer.
Minister en staatssecretaris kan geen kamerlid zijn, wel tijdens of na aftreden.
2 kiesstelsels:
- het absolute meerderheidsstelsel met kiesdistricten: 50% of meer
- Het stelsel van evenredige vertegenwoordiging met lijsten: de verdeling in kiesdistricten
of kieskringen gebeurt nu alleen. Nog met organisatorische redenen.
Lijstduwer: bekende personen worden onderaan de lijst gezet.
Kiesdeler: totaal aantal geldige stemmen
Totaal aantal Kamerzetels
Kiesdrempel: partij krijgt pas een zetel als de kiesdeler is gehaald.
Fractie: groep
Constitutionele monarchie: een koninkrijk dat in staatsregeling is verankerd.
Parlement:
- Vertegenwoordiger van het volk
- 1e en 2e kamer= staten- Generaal
De leden van de 1e kamer worden via getrapte verkiezingen worden gekozen
Het volk kiest de leden van de provinciale staat
Die leden kiezen wie in de 1e kamer komt
De regering:
- het bestuur van ons land
- De koning en het kabinet (de ministers en de onderministers= staatssecretarissen)
Parlement & regering gezamenlijk:
- formele wetgever (wetten in formele zin)
- parlement controleert de regering
- vertrouwen onderling tussen parlement en regering
Grondwetherziening:
1840: Koning kon niet meer alleen beslissingen nemen.
Medeondertekening door een minister wordt contraseign genoemd.
1848: volledige ministeriele verantwoordelijkheid
Inlichtingenplicht: Ministers en staatssecretarissen moeten aan de kamers elk afzonderlijk
en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden inlichtingen
geven.
Vragenrecht: leden 1e en 2e kamer kunnen schriftelijk of mondeling vragen stellen.
Recht van interpellatie: hen ter verantwoording roepen.
Recht van enquête: 2e kamer heeft de mogelijkheid om zelf een parlementair
onderzoek te doen.
Recht van amendement: wetsvoorstel van de regering te wijzigen.
Ontbindingsregel: vertrouwen verloren, dan kan je 1e en/of 2e kamer ontbinden.
Vertrouwensregel: minister, staatssecretarissen of heel kabinet moet zijn ontslag aanbieden
als hij/zij het vertrouwen heeft verloren.
Motie van wantrouwen: mededeling van een meerderheid van de kamer dat men ernstige
kritiek heeft op het gevoerde beleid van 1 of meer ministers of staatssecretarissen.
Motie van treurnis/afkeuring: geen rechtsgevolg, maar moeilijk voor hem om zijn taak uit
te voeren.
Een lid van de 1e kamer kan niet tegelijkertijd lid zijn van de 2e kamer.
Minister en staatssecretaris kan geen kamerlid zijn, wel tijdens of na aftreden.
2 kiesstelsels:
- het absolute meerderheidsstelsel met kiesdistricten: 50% of meer
- Het stelsel van evenredige vertegenwoordiging met lijsten: de verdeling in kiesdistricten
of kieskringen gebeurt nu alleen. Nog met organisatorische redenen.
Lijstduwer: bekende personen worden onderaan de lijst gezet.
Kiesdeler: totaal aantal geldige stemmen
Totaal aantal Kamerzetels
Kiesdrempel: partij krijgt pas een zetel als de kiesdeler is gehaald.
Fractie: groep