Eerste model: Gesloten economie op lange termijn (klassieke model)
Effecten
- K daalt: Kapitaalgoederenvoorraad verwoest
o Daling reële loon en stijging van reële beloning van kapitaal, omdat arbeid
hierdoor relatief schaars wordt
o K/L daalt: daarom stijgt R/P en daalt W/P
- L daalt: Massale emigratie van werknemers
o K/L stijgt: daarom daalt R/P en stijgt W/P
- Effect van G stijgt en T daalt
o Hoger overheidstekort verlaagt de nationale besparingen
S daalt
o Waardoor de reële rente stijgt
r stijgt
o Waardoor de investeringen afnemen
I daalt
o Let op: verhoging van G heeft dus geen effect op Y in dit model van de lange
termijn
- Effect van G stijgt met 200 en T ook met 200.
o Verandert particuliere consumptie? Nationale besparing S = Y – C – G
Een verhoging van T stijgt met 200 dan daalt C met MPC * 200
o Verandert nationale besparingen? S zal veranderen met verandering s =
verandering y – verandering c – verandering G. Verandering van Y meestal 0,
verandering van C zal lager zijn dan verandering G, dus zal S dalen.
o De r zal dan stijgen als S daalt
o Zonder cijfers erbij: S = Sp + Sg
Sg verandert niet, Sp daalt S daalt I daalt ook
- Effect van simultane verlaging van G (<0) en van netto belastingen (<0) leidt tot:
o Een niet-eenduidige verandering van de nationale besparingen
o Dit kan je alleen bepalen als de relatieve omvang is gespecificeerd
- Io stijgt: Effect verhoging investeringsaftrek
o Overheid wil particuliere investeringen stimuleren en besluit tot een fiscale
investeringsaftrek
o Hierdoor stijgen de investeringen I voor elke rentevoet r
I stijgt voor elke r
o Wat is het effect op lange termijn volgens het klassieke model? (negeer effect
op belastinginkomsten voor overheid)
Toename van de gewenste (autonome) investeringen
Zorgt voor een stijgende rente
Maar omdat de totale besparingen constant zijn blijven de
investeringen onveranderd
, - Overheid verlaagt belastingen met 100, wanneer zal dit niet leiden tot een
verandering van de reële rente
o Als MPC = 0
dan ∆C = 0 ∆S = 0 ∆r = 0
- Door daling van producentenvertrouwen autonome investeringen dalen.
o Dit zal leiden tot: (C = a + b x (Y – T) – z x r)
Vraag naar loanable funds stijgen
Rentestijging drukt de vraag naar loanable funds enigszins
Maar lokt nu ook extra particuliere besparingen uit
Hierdoor nemen de nationale besparingen toe
Per saldo zijn de investeringen dus hoger dan vóór de stijging van
autonome investeringen
o Overheid wil voorkomen dat de reële rente verandert
Maatregelen die niet geschikt zijn:
Verlagen G ∆S = -∆G S curve naar rechts versterkt
Verhogen T ∆T>0 C daalt ∆C<0 S stijgt versterkt
M verlagen er verandert niets aan grafiek (klassieke
dichotomie)
- Door stijging van consumentenvertrouwen autonome consumptie stijgt
o Aanbod van loanable funds daalt door stijging autonome consumptie
o Hierdoor stijgt de rente en dalen de investeringen
- Effect nominale variabelen
o Nominale variabelen zoals prijspeil en geldhoeveelheid spelen geen rol in dit
model
Effecten
- K daalt: Kapitaalgoederenvoorraad verwoest
o Daling reële loon en stijging van reële beloning van kapitaal, omdat arbeid
hierdoor relatief schaars wordt
o K/L daalt: daarom stijgt R/P en daalt W/P
- L daalt: Massale emigratie van werknemers
o K/L stijgt: daarom daalt R/P en stijgt W/P
- Effect van G stijgt en T daalt
o Hoger overheidstekort verlaagt de nationale besparingen
S daalt
o Waardoor de reële rente stijgt
r stijgt
o Waardoor de investeringen afnemen
I daalt
o Let op: verhoging van G heeft dus geen effect op Y in dit model van de lange
termijn
- Effect van G stijgt met 200 en T ook met 200.
o Verandert particuliere consumptie? Nationale besparing S = Y – C – G
Een verhoging van T stijgt met 200 dan daalt C met MPC * 200
o Verandert nationale besparingen? S zal veranderen met verandering s =
verandering y – verandering c – verandering G. Verandering van Y meestal 0,
verandering van C zal lager zijn dan verandering G, dus zal S dalen.
o De r zal dan stijgen als S daalt
o Zonder cijfers erbij: S = Sp + Sg
Sg verandert niet, Sp daalt S daalt I daalt ook
- Effect van simultane verlaging van G (<0) en van netto belastingen (<0) leidt tot:
o Een niet-eenduidige verandering van de nationale besparingen
o Dit kan je alleen bepalen als de relatieve omvang is gespecificeerd
- Io stijgt: Effect verhoging investeringsaftrek
o Overheid wil particuliere investeringen stimuleren en besluit tot een fiscale
investeringsaftrek
o Hierdoor stijgen de investeringen I voor elke rentevoet r
I stijgt voor elke r
o Wat is het effect op lange termijn volgens het klassieke model? (negeer effect
op belastinginkomsten voor overheid)
Toename van de gewenste (autonome) investeringen
Zorgt voor een stijgende rente
Maar omdat de totale besparingen constant zijn blijven de
investeringen onveranderd
, - Overheid verlaagt belastingen met 100, wanneer zal dit niet leiden tot een
verandering van de reële rente
o Als MPC = 0
dan ∆C = 0 ∆S = 0 ∆r = 0
- Door daling van producentenvertrouwen autonome investeringen dalen.
o Dit zal leiden tot: (C = a + b x (Y – T) – z x r)
Vraag naar loanable funds stijgen
Rentestijging drukt de vraag naar loanable funds enigszins
Maar lokt nu ook extra particuliere besparingen uit
Hierdoor nemen de nationale besparingen toe
Per saldo zijn de investeringen dus hoger dan vóór de stijging van
autonome investeringen
o Overheid wil voorkomen dat de reële rente verandert
Maatregelen die niet geschikt zijn:
Verlagen G ∆S = -∆G S curve naar rechts versterkt
Verhogen T ∆T>0 C daalt ∆C<0 S stijgt versterkt
M verlagen er verandert niets aan grafiek (klassieke
dichotomie)
- Door stijging van consumentenvertrouwen autonome consumptie stijgt
o Aanbod van loanable funds daalt door stijging autonome consumptie
o Hierdoor stijgt de rente en dalen de investeringen
- Effect nominale variabelen
o Nominale variabelen zoals prijspeil en geldhoeveelheid spelen geen rol in dit
model