Modals
[B1] Je gebruikt een modal om extra betekenis aan het hoofdwerkwoord toe te voegen.
Je gebruikt bijvoorbeeld de modals could of might om uit te drukken dat iets zou kunnen gebeuren.
De extra betekenis zit dan in de waarschijnlijkheid dat iets gebeurt. Deze wordt uitgedrukt door
de modal.
I might get hired for a great project. (Ik zou kunnen worden aangenomen voor een geweldig project,
maar het is nog niet zeker.)
He could come up with some great ideas. (Hij zou een paar goede ideeën kunnen verzinnen, maar het
is nog niet zeker.)
Modals kunnen soms verwarrend zijn omdat dezelfde modal verschillende betekenissen kan hebben
afhankelijk van de context. Modals kunnen het volgende uitdrukken:
• een meer or mindere mate van zekerheid: verwachting, zekerheid, waarschijnlijkheid, of
(on)mogelijkheid
• verplichting: bereidheid, toestemming, suggestie, advies, of verzoek
• algemene waarheden: feiten, gewoonten, of vermogen (in staat zijn om)
De modals zijn: can, could, may, might, must, should, would, will en shall. Na een modal komt altijd
een heel werkwoord (infinitief). Dit is het hoofdwerkwoord dat extra betekenis krijgt. Have (got) to,
need, ought to en used to worden ook als modals gebruikt. De meeste van deze werkwoorden
worden altijd gevolgd door to. Het onderstreepte werkwoord in de voorbeeldzinnen is het
hoofdwerkwoord waar betekenis aan toe wordt gevoegd door de modal.
I would like to postpone the meeting to tomorrow.
We ought to give that client a refund.
That might be a good idea. Could you work it out in more detail?
Let op: need kan zowel gebruikt worden als modal en als ‘gewoon’ werkwoord. Ze verschillen dan
van betekenis.
He needs to drink enough water, or he will get a headache. (‘gewoon’ werkwoord gevolgd door het
hele werkwoord met to: hij moet drinken)
We needn’t make an appointment beforehand. (modal: we hoeven niet/ geen ... te maken)
In een vraagzin met een modal komt de modal vooraan te staan. In een ontkenning met
een modal voegen we not toe na de modal. Can not wordt aan elkaar geschreven: cannot. In
informele teksten kunnen we ook samentrekkingen gebruiken. Deze samentrekkingen worden
, gevormd door n’t aan de modal toe te voegen, bijvoorbeeld can’t, couldn’t. Let op: will
not wordt won’t wanneer je het samentrekt.
Could I borrow your pen for a moment, please?
She shouldn’t make that decision on her own.
He won’t tell us what he’s planning to do about the problem.
Used to is een uitzondering: dan gebruik je did om een vraag of ontkenning te maken.
They didn’t use to go home early on Friday afternoons.
Didn't used to wordt ook gebruikt, maar wordt als incorrect beschouwd.
Hieronder een overzicht van modals met daarbij een beschrijving van wat ze uitdrukken, en
voorbeelden.
can mogelijkheid We can drive to work tomorrow, instead of taking the bus.
toestemming You can leave early today, if you like.
aanbod Can I offer you a cup of coffee?
verzoek Can you close the door, please?
in staat zijn om* Samir can speak three languages fluently.
could waarschijnlijkheid The company could choose to close this department.
When we were in Paris last year, we could see the Eiffel Tower from the conference
mogelijkheid
room.
toestemming Could I be excused from the meeting?
aanbod I could carry your bag for you.
verzoek Could you hand me the stapler, please?
in staat zijn om* When Ron was seven, he could already read like an adult.
suggestie We could ask Roger to write a proposal.
* Je gebruikt to be able to om ‘in staat zijn om’ aan te geven in andere werkwoordtijden,
bijvoorbeeld de present perfect.
Good news: I’ve been able to arrange us a seat on the next flight.
Could is in het algemeen beleefder en formeler dan can.
Bij een mogelijkheid of waarschijnlijkheid in de tegenwoordige tijd is could minder zeker dan can. Als
je het hebt over de toekomst, geeft could een mogelijkheid aan terwijl can een zekerheid aangeeft.
may waarschijnlijkheid You may feel confused after listening to all this.
toestemming New employees may ask questions at the end of the introduction.
might waarschijnlijkheid He might be late; he just texted that his train has been delayed.
suggestie You might want to reread that message before you send it.
[B1] Je gebruikt een modal om extra betekenis aan het hoofdwerkwoord toe te voegen.
Je gebruikt bijvoorbeeld de modals could of might om uit te drukken dat iets zou kunnen gebeuren.
De extra betekenis zit dan in de waarschijnlijkheid dat iets gebeurt. Deze wordt uitgedrukt door
de modal.
I might get hired for a great project. (Ik zou kunnen worden aangenomen voor een geweldig project,
maar het is nog niet zeker.)
He could come up with some great ideas. (Hij zou een paar goede ideeën kunnen verzinnen, maar het
is nog niet zeker.)
Modals kunnen soms verwarrend zijn omdat dezelfde modal verschillende betekenissen kan hebben
afhankelijk van de context. Modals kunnen het volgende uitdrukken:
• een meer or mindere mate van zekerheid: verwachting, zekerheid, waarschijnlijkheid, of
(on)mogelijkheid
• verplichting: bereidheid, toestemming, suggestie, advies, of verzoek
• algemene waarheden: feiten, gewoonten, of vermogen (in staat zijn om)
De modals zijn: can, could, may, might, must, should, would, will en shall. Na een modal komt altijd
een heel werkwoord (infinitief). Dit is het hoofdwerkwoord dat extra betekenis krijgt. Have (got) to,
need, ought to en used to worden ook als modals gebruikt. De meeste van deze werkwoorden
worden altijd gevolgd door to. Het onderstreepte werkwoord in de voorbeeldzinnen is het
hoofdwerkwoord waar betekenis aan toe wordt gevoegd door de modal.
I would like to postpone the meeting to tomorrow.
We ought to give that client a refund.
That might be a good idea. Could you work it out in more detail?
Let op: need kan zowel gebruikt worden als modal en als ‘gewoon’ werkwoord. Ze verschillen dan
van betekenis.
He needs to drink enough water, or he will get a headache. (‘gewoon’ werkwoord gevolgd door het
hele werkwoord met to: hij moet drinken)
We needn’t make an appointment beforehand. (modal: we hoeven niet/ geen ... te maken)
In een vraagzin met een modal komt de modal vooraan te staan. In een ontkenning met
een modal voegen we not toe na de modal. Can not wordt aan elkaar geschreven: cannot. In
informele teksten kunnen we ook samentrekkingen gebruiken. Deze samentrekkingen worden
, gevormd door n’t aan de modal toe te voegen, bijvoorbeeld can’t, couldn’t. Let op: will
not wordt won’t wanneer je het samentrekt.
Could I borrow your pen for a moment, please?
She shouldn’t make that decision on her own.
He won’t tell us what he’s planning to do about the problem.
Used to is een uitzondering: dan gebruik je did om een vraag of ontkenning te maken.
They didn’t use to go home early on Friday afternoons.
Didn't used to wordt ook gebruikt, maar wordt als incorrect beschouwd.
Hieronder een overzicht van modals met daarbij een beschrijving van wat ze uitdrukken, en
voorbeelden.
can mogelijkheid We can drive to work tomorrow, instead of taking the bus.
toestemming You can leave early today, if you like.
aanbod Can I offer you a cup of coffee?
verzoek Can you close the door, please?
in staat zijn om* Samir can speak three languages fluently.
could waarschijnlijkheid The company could choose to close this department.
When we were in Paris last year, we could see the Eiffel Tower from the conference
mogelijkheid
room.
toestemming Could I be excused from the meeting?
aanbod I could carry your bag for you.
verzoek Could you hand me the stapler, please?
in staat zijn om* When Ron was seven, he could already read like an adult.
suggestie We could ask Roger to write a proposal.
* Je gebruikt to be able to om ‘in staat zijn om’ aan te geven in andere werkwoordtijden,
bijvoorbeeld de present perfect.
Good news: I’ve been able to arrange us a seat on the next flight.
Could is in het algemeen beleefder en formeler dan can.
Bij een mogelijkheid of waarschijnlijkheid in de tegenwoordige tijd is could minder zeker dan can. Als
je het hebt over de toekomst, geeft could een mogelijkheid aan terwijl can een zekerheid aangeeft.
may waarschijnlijkheid You may feel confused after listening to all this.
toestemming New employees may ask questions at the end of the introduction.
might waarschijnlijkheid He might be late; he just texted that his train has been delayed.
suggestie You might want to reread that message before you send it.