RETOURTJE INZICHT
3. Caleidoscopisch werken met diversiteit
3.1 Inleiding
Het doel van intersectioneel denken is om zo veel mogelijk aspecten van identiteit met hun
bijbehorende maatschappelijke betekenis op elkaar te betrekken.
Caleidoscopische werking: Alle aspecten van de cirkel kunnen alle andere aspecten beïnvloeden.
3.2 Hoe kwam het intersectionele denken naar Nederland?
Diversiteitsfilosofie: Mensen hebben meervoudige identiteiten en is ontstaan aan het eind van de
vorige eeuw, waarin maatschappelijke tegenstellingen in Amerika en West-Europa hoog opspeelden.
3.3 Intersectioneel en caleidoscopisch denken
Intersectioneel denken/kruispuntdenken/caleidoscopisch denken: Theorie waarmee
maatschappelijke posities en maatschappelijke uitsluitingsmechanismen kunnen worden beschreven.
Ieders identiteit is samengesteld uit deelidentiteiten die verwijzen naar verschillende sociale groepen
waar je deel van uitmaakt. Identiteiten worden gevormd in de wisselwerking tussen actoren en hun
omgeving.
Dichotoom/traditioneel denken: Het denken in tegenstellingen (of-of-termen) en er worden vaak
oordelen aan verbonden. Bij het intersectionele denken wordt er niet strikt in tegenstellingen
gedacht, maar zijn er nuanceringen mogelijk, omdat verschillen voortdurend in ontwikkeling zijn, er
zijn tussen tegenstellingen vele nuanceringen mogelijk en de verschillende identiteitsaspecten
kunnen gelijktijdig van toepassing zijn in het leven.
Doing gender: Een soort schaakbord van mannelijkheid en vrouwelijkheid waarop een mens
gedurende de loop van zijn/haar leven uiteenlopende posities inneemt.
Er zijn drie manieren waarop we met verschillen om kunnen gaan:
1. Negeren de verschillen en doen alsof ze niet bestaan.
2. We nemen datgene over wat ons dominant lijkt.
3. We bestrijden en vernietigen wat ons ondergeschikt lijkt.
Er zijn vijf lagen in verschillen:
1. Biologische laag: Hormonen, organen, lichaamsbouw, huidskleur.
2. Psychische laag: Cognities, gevoelens en handelwijzen.
3. Relationele laag: Directe contacten, omgangsregels en communicatie.
4. Sociale laag: Sociale posities/rollen die mensen innemen.
Horizontale segregatie: In zorg en hulpverlening veen vrouwen; technische beroepen de
mannen.
Verticale segregatie: Hogere functies zijn geen afspiegeling van de samenleving en vindt plaats
op grond van gender en etniciteit.
5. Culturele laag: Ideaalbeelden en gedragsnormen die gelden voor mannen en vrouwen en welke
rechten en plichten ze hebben.
Binnen bovenstaande lagen vinden allerlei veranderingen plaats en kunnen de lagen elkaar onderling
beïnvloeden. De verschilcategorieën zijn dus dynamisch.
Keuzevrijheid in identiteitsvorming hangt af van de zichtbaarheid van een bepaald verschil.
Sommigen kenmerken zijn duidelijk zichtbaar en op grond daarvan krijg je een positie toegewezen in
de maatschappelijke orde.
Er zijn twee politieke machtsmodellen:
1. Je kan aan de macht komen met de slimheid en sluwheid van een vos;
3. Caleidoscopisch werken met diversiteit
3.1 Inleiding
Het doel van intersectioneel denken is om zo veel mogelijk aspecten van identiteit met hun
bijbehorende maatschappelijke betekenis op elkaar te betrekken.
Caleidoscopische werking: Alle aspecten van de cirkel kunnen alle andere aspecten beïnvloeden.
3.2 Hoe kwam het intersectionele denken naar Nederland?
Diversiteitsfilosofie: Mensen hebben meervoudige identiteiten en is ontstaan aan het eind van de
vorige eeuw, waarin maatschappelijke tegenstellingen in Amerika en West-Europa hoog opspeelden.
3.3 Intersectioneel en caleidoscopisch denken
Intersectioneel denken/kruispuntdenken/caleidoscopisch denken: Theorie waarmee
maatschappelijke posities en maatschappelijke uitsluitingsmechanismen kunnen worden beschreven.
Ieders identiteit is samengesteld uit deelidentiteiten die verwijzen naar verschillende sociale groepen
waar je deel van uitmaakt. Identiteiten worden gevormd in de wisselwerking tussen actoren en hun
omgeving.
Dichotoom/traditioneel denken: Het denken in tegenstellingen (of-of-termen) en er worden vaak
oordelen aan verbonden. Bij het intersectionele denken wordt er niet strikt in tegenstellingen
gedacht, maar zijn er nuanceringen mogelijk, omdat verschillen voortdurend in ontwikkeling zijn, er
zijn tussen tegenstellingen vele nuanceringen mogelijk en de verschillende identiteitsaspecten
kunnen gelijktijdig van toepassing zijn in het leven.
Doing gender: Een soort schaakbord van mannelijkheid en vrouwelijkheid waarop een mens
gedurende de loop van zijn/haar leven uiteenlopende posities inneemt.
Er zijn drie manieren waarop we met verschillen om kunnen gaan:
1. Negeren de verschillen en doen alsof ze niet bestaan.
2. We nemen datgene over wat ons dominant lijkt.
3. We bestrijden en vernietigen wat ons ondergeschikt lijkt.
Er zijn vijf lagen in verschillen:
1. Biologische laag: Hormonen, organen, lichaamsbouw, huidskleur.
2. Psychische laag: Cognities, gevoelens en handelwijzen.
3. Relationele laag: Directe contacten, omgangsregels en communicatie.
4. Sociale laag: Sociale posities/rollen die mensen innemen.
Horizontale segregatie: In zorg en hulpverlening veen vrouwen; technische beroepen de
mannen.
Verticale segregatie: Hogere functies zijn geen afspiegeling van de samenleving en vindt plaats
op grond van gender en etniciteit.
5. Culturele laag: Ideaalbeelden en gedragsnormen die gelden voor mannen en vrouwen en welke
rechten en plichten ze hebben.
Binnen bovenstaande lagen vinden allerlei veranderingen plaats en kunnen de lagen elkaar onderling
beïnvloeden. De verschilcategorieën zijn dus dynamisch.
Keuzevrijheid in identiteitsvorming hangt af van de zichtbaarheid van een bepaald verschil.
Sommigen kenmerken zijn duidelijk zichtbaar en op grond daarvan krijg je een positie toegewezen in
de maatschappelijke orde.
Er zijn twee politieke machtsmodellen:
1. Je kan aan de macht komen met de slimheid en sluwheid van een vos;