Beslissingsmodel – art. 348 Sv – ad webcast 4
Implicatie: indien de rechter tot één van de beslissingen in art. 349 lid 1 Sv concludeert, eindigt de
behandeling van de zaak. Hij komt dan niet meer toe aan de vragen van art. 350 Sv…
Verhouding structuur strafbaar feit en art. 350 Sv:
1. Menselijke gedraging: 1e vraag art. 350 Sv.
2. Valt binnen wettelijke delictsomschrijving: 2e vraag art. 350 Sv.
3. Die wederrechtelijk is.
4. En aan schuld te wijten.
Verhouding bij een ideaaltypische delictsomschrijving: voorwaarden 3 en 4 in de 3 e vraag van art. 350 Sv.
Verhouding bij een niet-ideaaltypische delictsomschrijving: voorwaarde 3 en/of 4 is/zijn dan bestanddeel
in de delictsomschrijving; dient/dienen dus bewezen te worden geacht en dus… in 1 e vraag van art. 350 Sv.
Koppeling strafuitsluitingsgronden bij een ideaaltypische delictsomschrijving:
De wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid als 3 e en 4e voorwaarde voor strafbaarheid zitten besloten
in de 3e vraag van 350 Sv.
Zowel een succesvol beroep op een rechtvaardigingsgrond als op een schulduitsluitingsgrond verloopt
dus via de 3e vraag van art. 350 Sv.
Koppeling bij een niet-ideaaltypische delictsomschrijving:
Verloopt in beginsel via 1e vraag van art. 350 Sv.
Wederrechtelijkheid een bestanddeel? Een succesvol beroep op een rechtvaardigingsgrond verloopt
via 1e vraag van 350 Sv (feit kan niet bewezen worden geacht).
Culpa een bestanddeel? In culpa schuilt verwijtbaarheid. Een succesvol beroep op een
schulduitsluitingsgrond verloopt dus via 1e vraag van 350 Sv (feit kan niet bewezen worden geacht).
Let op: in culpa schuilt ook wederrechtelijkheid! Immers: een aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Bij
culpa verloopt een succesvol beroep op een rechtvaardigingsgrond dus ook via 1 e vraag 350 Sv!
Maar… dit is anders bij opzet als bestanddeel! Het opzet staat namelijk los van verwijtbaarheid als
voorwaarde/element/ondergrens voor strafbaarheid. Opzet heeft niet verwijtbaarheid als betekenis,
maar willens en wetens. En dus tast een succesvol beroep op een schulduitsluitingsgrond niet het
opzet aan, en verloopt dat dan ook niet via de 1 e vraag maar via de 3e vraag van 350 Sv!
Idem voor een succesvol beroep op een rechtvaardigingsgrond inzake een doleus delict (opzet). Dat
verloopt ook via de 3e vraag van 350 Sv ipv de 1e vraag! Let op: tenzij wederrechtelijkheid zelf ook als
bestanddeel is opgenomen in de wettelijke delictsomschrijving.
Dus:
1. Bij een culpoos delict is bewijs gevergd van culpa en dat wordt weggenomen bij een succesvol
beroep op zowel rechtvaardigings- als schulduitsluitingsgrond.
2. Bij een doleus delict is bewijs gevergd van opzet en dat staat als zodanig los van
wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid als element; succesvol beroep op een rechtvaardigings-
alsook een schulduitsluitingsgrond verloopt dan niet via de 1 e vraag maar via de 3e vraag van art.
350 Sv.
Integrale beschouwing:
Plak art. 350 Sv dus op structuur strafbaar feit en bezie dat ook in het licht van opzet/culpa +
rechtvaardigings-/schulduitsluitingsgronden.
Implicaties van 350 Sv-vragen voor einduitspraak rechter:
Is het antwoord op de 1e vraag ex 350 Sv nee?
Dan vrijspraak (art. 352 lid 1 Sv).
Slechts indien antwoord ja is, dan door naar…
Is het antwoord op 2e en 3e vraag ex 350 Sv nee?
Dan ontslag van alle rechtsvervolging (OVAR, art. 352 lid 2 Sv).
4e vraag art. 350 Sv: is straf of maatregel aangewezen en zo ja, welke?
Gaat over het sanctiestelsel en de straftoemeting door de rechter…
Maar tot slot: wat kan er eigenlijk na een einduitspraak (art. 348, 349, 350, 352 Sv)?
Mogelijkheden voor OM en voor de verdachte om rechtsmiddelen in te stellen…
Rechtsmiddelen
De wet kent een gesloten stelsel van rechtsmiddelen (of, welk, door wie en wanneer), met het
onderscheid:
1. Gewone rechtsmiddelen (art. 404-455 Sv):