Naar positief Nederlands staatsrecht lijkt de staat kennelijk nagenoeg niet te bestaan. De term ‘staat’ zelf
wordt amper gebruikt, vaak andere verwoordingen. Waar de term ‘staat’ wel wordt gehanteerd, geen
betrekking op de bevoegdheden of inrichting van de staat. ‘Staat’ bijv. wel een belangrijke rol in het
internationaal recht, privaatrecht en de sociologische wetenschappen.
Zowel staats- als bestuursrecht regelen situaties waarbij de overheid is betrokken. Het onderscheid tussen
staats- en bestuursrecht is methodologisch en didactisch zinvol.
Staatsrecht: geheel van rechtsregels dat betrekking heeft op de organisatie van de met gezag beklede
organen en de grenzen van hun gezag.
Bestuursrecht: geheel van rechtsregels dat betrekking heeft op de relatie tussen het openbaar gezag
en burgers (in brede zin).
Wat is de essentie van het bestuursrecht? Algemeen wordt aangenomen dat het belang van het bestuur is
gelegen in het behartigen van het algemeen belang. Het bestuur is echter in dat behartigen niet volledig
vrij.
Rechtsstaatgedachte: staat moet zijn ingericht dat burgers worden beschermd tegen machtsmisbruik door
de staat.
Geheel eigen, bijzondere karakter van bestuursrecht:
Toekennen van bevoegdheden.
Rechtsregels die uitoefening daarvan normeren.
Controle door een onafhankelijke rechter,
Algemeen en bijzonder bestuursrecht:
Bijzonder bestuursrecht: ruimtelijke ordeningsrecht (inrichting land), milieurecht, vreemdelingenrecht,
gezondheidsrecht, fiscaal bestuursrecht etc.
Algemeen bestuursrecht: AWB> algemene regels gegeven over de rechtsbescherming en -handhaving.
Wisselwerking: awb heeft alleen werking indien er daarbij niet wordt afgeweken van bestaande
wetten.
Bestuursrechtelijke focus binnen het vak: belangrijkste onderdelen van het algemeen deel van het
bestuursrecht.
Codificatie: het maken van wetboeken.
Het op schrift tellen van rechten.
Codificatie moet volledig beoogd te zijn. (Uitsluitende gelding aan overheid toegekend> exclusiviteit
zorgt voor volledigheid).
De Grondwet is geen volledige codificatie, niet alle regels staan erin genoteerd> niet alleen staatsrecht,
maar ook staatsvorming.
Als je gaat kijken naar codificatie van het staatsrecht gaat het om de Grondwet en het ongeschreven recht.
Bij codificatie van staatsrecht moet je ook kijken naar de staatsvorming, de geschiedenis van de
Nederlandse Staat.
Vorming van de Nederlandse staat, drie periodes:
1. Landsheerlijke periode 10e tot 16e eeuw.
2. Opstand: 1568-1648 (80-jarige oorlog ongeveer).
3. Republiek: 1588-1795.
Landsheerlijke periode:
Fase van leenstaten:
Onderdelen van grote rijken. Er werden graven aangesteld, die soevereiniteit kregen om kleinere
stukken land te besturen. De bevoegdheden van de graven zijn niet erfelijk. Bij overlijden van
graaf gaat de macht terug naar het staatshoofd.
Fase van landsheerlijkheden:
Verdelen van land over graven, met erfelijke bevoegdheden. Bijna zelfstandige kleine
vorstendommen, door de erfelijkheid van de bevoegdheden.
Dit is beide in de voorfase van codificatie.
Bourgondische heerschappij leidt tot een zekere mate van eenwording. Grotere stukken landen tot en met
Zwitserland worden als één gebied gezien. Er ontstaat een mate van staatsvorming.
Bourgondische heerschappij houdt in:
Alle landheerlijkheden worden één land. Dit duurt anderhalve eeuw.
Karel V (1515-1555):