Spontane Taal Analyse
Verbuiging zelfstandig naamwoord
- Enkelvoud
- Verkleinwoord
- Meervoud
Verbuiging bijvoeglijk naamwoord
- Door toevoeging -e
- Door weglating -e
- Vergrotende trap (groter)
- Overtreffende trap (grootst)
Samengestelde zinnen
- Nevenschikkend
o Twee hoofdzinnen, in beide zinnen persoonsvorm op 2 e plek in de zin
o Voegwoorden: en, maar, want, of, dus
- Onderschikkend
o Hoofdzin en een bijzin, in bijzin staat persoonsvorm aan het einde van de zin
o Voegwoorden: als, of, omdat, zodat, doordat
Onderschikkende zinnen
- Bijvoeglijke bijzin:
o “Hij eet soep, die op tafel staat”
o ‘Hij eet’ is de hoofdzin, ‘die op tafel staat’ is bijzin. De bijzin is een soort
bijvoeglijknaamwoord, het zegt iets over de soep. Je kan het vervangen door bijvoorbeeld
‘warme soep’.
- Lijdend voorwerpzin:
o “Hij eet, omdat de soep op tafel staat”
o ‘Hij eet’ is hoofdzin, ‘omdat de soep op tafel staat’ is bijzin. Je ziet dan dat de bijzin het
lijdende voorwerp is van de hoofdzin.
- Bijwoordelijke bijzin:
o “Hij eet de soep nu”
o ‘Hij eet’ is hoofdzin, ‘nu’ is bijzin. De bijzin is een soort bijwoordelijke bijzin. Je kan het
vervangen door bijvoorbeeld ‘als het is afgekoeld’.
Vervoeging persoonsvorm
- Voltooid deelwoord
- Koppelwerkwoord (tweede deel is naamwoordelijk deel)
- Hulpww zelfstandig
- Hulpww + infinitief
- Hulp ww + volt dw
- Zelfst ww enkelvoud
- Meervoud tt
- Verleden tijd
Woordgroepen
- Bijv nw + zelfst nw
- De + bijv nw + zelfst nw
- Het + zelfst nw
- Vz + lw + zelfst nw
- Werkwoordelijk gezegde
Overige opvallendheden
- Inversie (persoonsvorm staat voor het onderwerp)
- Er-kwantitatief:
, o “Ik heb er drie meegenomen.” Of “Wij gaan er twee doen” of “Er zijn veel boeken” Meestal is
dit als er een hoeveelheid in voorkomt.
- Er-opvullend:
o “Er is een nieuw kind op school.” “Er gaat een nieuw kind naar school”
o Je kan ook zeggen: een nieuw kind is op school of een nieuw kind gaat naar school
o Er vult de plaats op van het onderwerp.
- Nabepaling (“Ik wil de auto, die blauw” of “De school die vrijwel nieuw is”)
- XenX (opsomming van dezelfde woordgroep)
- Directe rede: direct doorgeven hoe iets is gezegd door een ander: “Hij zegt: ‘ik wil erdoor’.” dus een
citaat
- Indirecte rede: dan geef je ook door wat iemand heeft gezegd, maar je formuleert het anders: “Hij
zegt dat hij erdoor wil”
- Actieve zin: “Hij geeft de bal.” Of “Mijn collega heeft al het werk gedaan”
o Er zit een activiteit in, je beschrijft een actie.
- Passieve zin: “De bal wordt door hem gegeven.” Of “Al het werk is door mijn collega gedaan”
o Het lijdend voorwerp wordt het onderwerp.
o Hier ondergaat iets de actie.
Conclusie
- Op basis van stap 2 kan X’s syntactisch ontwikkelingsfase vastgesteld worden op een leeftijd van X
jaar. Hij/zij kan zinnen van … zinsdelen maken, de meeste vraagzinnen passen bij deze leeftijdsfase.
(Het gebruik van samengestelde zinnen is in ontwikkeling.)
Wat betreft de morfologie en het gebruik van woordgroepen past de leeftijd van ... Hij/zij maakt
woordgroepen, passend bij deze leeftijd, en hij/zij beheerst (niet) de werkwoordvervoegingen.
- In vergelijking met de verwachtingen in stap 1 laat het schema van X zien dat zijn/haar syntactische
ontwikkeling onder het niveau ligt van zijn/haar kalenderleeftijd. (Als we aannemen dat hij
inversievragen met 3 zinsdelen beheerst, omdat hij een inversievraag met 4 zinsdelen laat zien,
kunnen we zijn syntactische ontwikkelingsniveau vaststellen op 3;0-3;5 jaar.)
Verbuiging zelfstandig naamwoord
- Enkelvoud
- Verkleinwoord
- Meervoud
Verbuiging bijvoeglijk naamwoord
- Door toevoeging -e
- Door weglating -e
- Vergrotende trap (groter)
- Overtreffende trap (grootst)
Samengestelde zinnen
- Nevenschikkend
o Twee hoofdzinnen, in beide zinnen persoonsvorm op 2 e plek in de zin
o Voegwoorden: en, maar, want, of, dus
- Onderschikkend
o Hoofdzin en een bijzin, in bijzin staat persoonsvorm aan het einde van de zin
o Voegwoorden: als, of, omdat, zodat, doordat
Onderschikkende zinnen
- Bijvoeglijke bijzin:
o “Hij eet soep, die op tafel staat”
o ‘Hij eet’ is de hoofdzin, ‘die op tafel staat’ is bijzin. De bijzin is een soort
bijvoeglijknaamwoord, het zegt iets over de soep. Je kan het vervangen door bijvoorbeeld
‘warme soep’.
- Lijdend voorwerpzin:
o “Hij eet, omdat de soep op tafel staat”
o ‘Hij eet’ is hoofdzin, ‘omdat de soep op tafel staat’ is bijzin. Je ziet dan dat de bijzin het
lijdende voorwerp is van de hoofdzin.
- Bijwoordelijke bijzin:
o “Hij eet de soep nu”
o ‘Hij eet’ is hoofdzin, ‘nu’ is bijzin. De bijzin is een soort bijwoordelijke bijzin. Je kan het
vervangen door bijvoorbeeld ‘als het is afgekoeld’.
Vervoeging persoonsvorm
- Voltooid deelwoord
- Koppelwerkwoord (tweede deel is naamwoordelijk deel)
- Hulpww zelfstandig
- Hulpww + infinitief
- Hulp ww + volt dw
- Zelfst ww enkelvoud
- Meervoud tt
- Verleden tijd
Woordgroepen
- Bijv nw + zelfst nw
- De + bijv nw + zelfst nw
- Het + zelfst nw
- Vz + lw + zelfst nw
- Werkwoordelijk gezegde
Overige opvallendheden
- Inversie (persoonsvorm staat voor het onderwerp)
- Er-kwantitatief:
, o “Ik heb er drie meegenomen.” Of “Wij gaan er twee doen” of “Er zijn veel boeken” Meestal is
dit als er een hoeveelheid in voorkomt.
- Er-opvullend:
o “Er is een nieuw kind op school.” “Er gaat een nieuw kind naar school”
o Je kan ook zeggen: een nieuw kind is op school of een nieuw kind gaat naar school
o Er vult de plaats op van het onderwerp.
- Nabepaling (“Ik wil de auto, die blauw” of “De school die vrijwel nieuw is”)
- XenX (opsomming van dezelfde woordgroep)
- Directe rede: direct doorgeven hoe iets is gezegd door een ander: “Hij zegt: ‘ik wil erdoor’.” dus een
citaat
- Indirecte rede: dan geef je ook door wat iemand heeft gezegd, maar je formuleert het anders: “Hij
zegt dat hij erdoor wil”
- Actieve zin: “Hij geeft de bal.” Of “Mijn collega heeft al het werk gedaan”
o Er zit een activiteit in, je beschrijft een actie.
- Passieve zin: “De bal wordt door hem gegeven.” Of “Al het werk is door mijn collega gedaan”
o Het lijdend voorwerp wordt het onderwerp.
o Hier ondergaat iets de actie.
Conclusie
- Op basis van stap 2 kan X’s syntactisch ontwikkelingsfase vastgesteld worden op een leeftijd van X
jaar. Hij/zij kan zinnen van … zinsdelen maken, de meeste vraagzinnen passen bij deze leeftijdsfase.
(Het gebruik van samengestelde zinnen is in ontwikkeling.)
Wat betreft de morfologie en het gebruik van woordgroepen past de leeftijd van ... Hij/zij maakt
woordgroepen, passend bij deze leeftijd, en hij/zij beheerst (niet) de werkwoordvervoegingen.
- In vergelijking met de verwachtingen in stap 1 laat het schema van X zien dat zijn/haar syntactische
ontwikkeling onder het niveau ligt van zijn/haar kalenderleeftijd. (Als we aannemen dat hij
inversievragen met 3 zinsdelen beheerst, omdat hij een inversievraag met 4 zinsdelen laat zien,
kunnen we zijn syntactische ontwikkelingsniveau vaststellen op 3;0-3;5 jaar.)