Begrippen mediakenner:
Pictografisch schrift: Beeldtekens op kleitabletten of gedroogde rietstengels
Spijkerschrift: In plaats van beeldtekens werden er streepjes gezet bij elke lettergreep van
het woord.
Ongelijktijdige communicatie: Je bepaalt als ontvanger zelf wanneer je er aan toe bent om
een mediaboodschap te verwerken.
Boekdrukkunst: Geschreven teksten worden gedrukt
Massacommunicatie: Communicatie waarbij grote groepen mensen worden bereikt
Connectionless communication: Je bepaalt als ontvanger zelf wanneer je er aan toe bent om
een mediaboodschap te verwerken
Broadcast communication: maakt ongelijktijdige communicatie op grote schaal mogelijk
Publieke opinie: de verzameling van meningen van alle publieksgroepen
Audiovisuele revolutie/informatierevolutie: De derde mediarevolutie
Content: alle informatie die iemand in een boodschap heeft verwerkt
Gemedieerd: Communicatie via internet is verricht met behulp van een medium
Multimedia: Het gebruik van tekst, beeld en geluid in een digitaal gevoed medium
Informatisering: Produceren en consumeren van informatie
ARPANET: Hiermee werden computers overal ter wereld met elkaar verbonden
Web 1.0: Berichten online plaatsen op websites, die via internet digitaal met elkaar
verbonden zijn, waardoor interactiviteit met gebruikers mogelijk wordt
Web 2.0: De opkomst van social media, altijd en overal met iedereen kunnen communiceren
User-generated content: Content die door gebruikers zelf wordt gemaakt
Platformeconomie: via online toepassingen en apps worden vraag en aanbod bij elkaar
gebracht en worden transacties gesloten
The big 5: Apple, Alphabet (Google), Amazon, Microsoft en Facebook
Economische convergentie: het ineenschuiven van meerdere bedrijven in een bedrijf
Publieksbladen: magazines die zich richten op een breed publiek
Vakbladen: magazines die zich richten op professionals
Sponsored magazines: Tijdschriften die gesponsord worden door een bedrijf, bijvoorbeeld de
Allerhande van Albert Heijn
Publieke omroepen: Worden gesteund door de overheid
Commerciële omroepen: Verdienen hun inkomsten door reclames
Owned media: zelf beheerde media (Websites, apps)
Paid media: de betaalde media (reclamespotjes, advertenties)
Earned media: de verdiende aandacht in andere media (reviews, verhaal journalist)
Shared media: de gedeelde media (social media)
Imago: De beeldvorming van een bedrijf
Identiteit: de objectief waarneembare werkelijkheid van een bedrijf
Reputatie: De totaalindruk die alle stakeholders hebben van een bedrijf
Medium: een communicatiemiddel waarmee je een groot deel van de bevolking bereikt
(kranten, radio of televisie)
Massamedia: vervoersmiddelen of dragers van massacommunicatieve boodschappen
Kanaal: de technische en fysieke vorm van de drager van de boodschap (telefoonkabels,
geluidsgolven, beeldschermen en krantenpapier)
Point-to-point communicatie: Een enkele zender van een boodschap die meerdere
ontvangers heft (een persbedrijf die het dagblad verstuurd naar de abonnees.
, Intentiefuncties: Functies die de zender in zijn boodschap stopt.
Gevolgfuncties: Functies die er bij de ontvanger uitkomen
Primaire functies van mediacommunicatie:
1. Vermeerderen van kennis en inzicht bij ontvangers
2. Beïnvloeden van meningen, houding en gedrag van ontvangers
3. Streven naar ontspanning bij ontvangers
De 4 mediafuncties:
1. Berichtgeving of nieuws
2. Opinievorming en commentaar
3. Cultuuroverdracht en educatie
4. Amusement en ontspanning
Eufuncties: De zender brengt manifest of latent een maatschappelijk gewenst effect teweeg
(positief)
Disfuncties: De zender brengt met opzet (manifest) of onbedoeld (latent) met zijn
boodschap een verstoring teweeg (negatief)
Cartoonizing: Je merk op een grappige manier uitbeelden in je content
Gamifiction: een product op een speelse wijze met een game tot leven brengen
Content-strategie: bepalen wat je wil vertellen, en de verantwoording van je keuze
Customer Journey: de ‘reis’ die iemand aflegt vanaf het moment dat hij/zij iets overweegt te
doen of te kopen
Touch points: De momenten in die reis waarop je als aanbieder van informatie in contact
komt met die persoon
Mediastrategie: Een overwogen keuze voor het inzetten van verschillende media
Transmediaal: Hetzelfde verhaal via verschillende media publiceren
Geïntegreerd: De verschillende media naar elkaar laten verwijzen en op ieder medium een
apart onderdeel van het verhaal vertellen
Mediumspecifiteit: Wat zijn de onderscheidende eigenschappen van het medium?
4 hoofdtypen platforms:
1. Commercieel georiënteerde platforms: Zoekmachines (Google), productie en verkoop
van hardware en software (Apple), online webshops (Amazon) en social media
(Facebook)
2. Politiek-bestuurlijke platforms: parlementen, brancheorganisaties
3. Professionele platforms: Verenigingen van professionals in communicatie en
journalistiek
4. Sociaal-culturele platforms: Vanuit burgers opgezet zoals lokale of regionale
platforms voor handel, milieu, zorg en welzijn
3 mechanismen van platformwerking:
1. Dataficatie: Het achterhalen, meten, interpreteren en voorspellen van het
mediagebruik, en het gebruik van big data en social data
2. Commodificatie: Zaken, acties en concepten in verhandelbare producten omzetten
3. Selectie: Gebruikers geven aan welke zaken, relaties en concepten voor hun
communicatie met het platform van belang zijn
Platform: een gemedieerde en openbare ontmoetingsplaats waar mensen vanuit hun
netwerken content met elkaar delen en bespreken
Pictografisch schrift: Beeldtekens op kleitabletten of gedroogde rietstengels
Spijkerschrift: In plaats van beeldtekens werden er streepjes gezet bij elke lettergreep van
het woord.
Ongelijktijdige communicatie: Je bepaalt als ontvanger zelf wanneer je er aan toe bent om
een mediaboodschap te verwerken.
Boekdrukkunst: Geschreven teksten worden gedrukt
Massacommunicatie: Communicatie waarbij grote groepen mensen worden bereikt
Connectionless communication: Je bepaalt als ontvanger zelf wanneer je er aan toe bent om
een mediaboodschap te verwerken
Broadcast communication: maakt ongelijktijdige communicatie op grote schaal mogelijk
Publieke opinie: de verzameling van meningen van alle publieksgroepen
Audiovisuele revolutie/informatierevolutie: De derde mediarevolutie
Content: alle informatie die iemand in een boodschap heeft verwerkt
Gemedieerd: Communicatie via internet is verricht met behulp van een medium
Multimedia: Het gebruik van tekst, beeld en geluid in een digitaal gevoed medium
Informatisering: Produceren en consumeren van informatie
ARPANET: Hiermee werden computers overal ter wereld met elkaar verbonden
Web 1.0: Berichten online plaatsen op websites, die via internet digitaal met elkaar
verbonden zijn, waardoor interactiviteit met gebruikers mogelijk wordt
Web 2.0: De opkomst van social media, altijd en overal met iedereen kunnen communiceren
User-generated content: Content die door gebruikers zelf wordt gemaakt
Platformeconomie: via online toepassingen en apps worden vraag en aanbod bij elkaar
gebracht en worden transacties gesloten
The big 5: Apple, Alphabet (Google), Amazon, Microsoft en Facebook
Economische convergentie: het ineenschuiven van meerdere bedrijven in een bedrijf
Publieksbladen: magazines die zich richten op een breed publiek
Vakbladen: magazines die zich richten op professionals
Sponsored magazines: Tijdschriften die gesponsord worden door een bedrijf, bijvoorbeeld de
Allerhande van Albert Heijn
Publieke omroepen: Worden gesteund door de overheid
Commerciële omroepen: Verdienen hun inkomsten door reclames
Owned media: zelf beheerde media (Websites, apps)
Paid media: de betaalde media (reclamespotjes, advertenties)
Earned media: de verdiende aandacht in andere media (reviews, verhaal journalist)
Shared media: de gedeelde media (social media)
Imago: De beeldvorming van een bedrijf
Identiteit: de objectief waarneembare werkelijkheid van een bedrijf
Reputatie: De totaalindruk die alle stakeholders hebben van een bedrijf
Medium: een communicatiemiddel waarmee je een groot deel van de bevolking bereikt
(kranten, radio of televisie)
Massamedia: vervoersmiddelen of dragers van massacommunicatieve boodschappen
Kanaal: de technische en fysieke vorm van de drager van de boodschap (telefoonkabels,
geluidsgolven, beeldschermen en krantenpapier)
Point-to-point communicatie: Een enkele zender van een boodschap die meerdere
ontvangers heft (een persbedrijf die het dagblad verstuurd naar de abonnees.
, Intentiefuncties: Functies die de zender in zijn boodschap stopt.
Gevolgfuncties: Functies die er bij de ontvanger uitkomen
Primaire functies van mediacommunicatie:
1. Vermeerderen van kennis en inzicht bij ontvangers
2. Beïnvloeden van meningen, houding en gedrag van ontvangers
3. Streven naar ontspanning bij ontvangers
De 4 mediafuncties:
1. Berichtgeving of nieuws
2. Opinievorming en commentaar
3. Cultuuroverdracht en educatie
4. Amusement en ontspanning
Eufuncties: De zender brengt manifest of latent een maatschappelijk gewenst effect teweeg
(positief)
Disfuncties: De zender brengt met opzet (manifest) of onbedoeld (latent) met zijn
boodschap een verstoring teweeg (negatief)
Cartoonizing: Je merk op een grappige manier uitbeelden in je content
Gamifiction: een product op een speelse wijze met een game tot leven brengen
Content-strategie: bepalen wat je wil vertellen, en de verantwoording van je keuze
Customer Journey: de ‘reis’ die iemand aflegt vanaf het moment dat hij/zij iets overweegt te
doen of te kopen
Touch points: De momenten in die reis waarop je als aanbieder van informatie in contact
komt met die persoon
Mediastrategie: Een overwogen keuze voor het inzetten van verschillende media
Transmediaal: Hetzelfde verhaal via verschillende media publiceren
Geïntegreerd: De verschillende media naar elkaar laten verwijzen en op ieder medium een
apart onderdeel van het verhaal vertellen
Mediumspecifiteit: Wat zijn de onderscheidende eigenschappen van het medium?
4 hoofdtypen platforms:
1. Commercieel georiënteerde platforms: Zoekmachines (Google), productie en verkoop
van hardware en software (Apple), online webshops (Amazon) en social media
(Facebook)
2. Politiek-bestuurlijke platforms: parlementen, brancheorganisaties
3. Professionele platforms: Verenigingen van professionals in communicatie en
journalistiek
4. Sociaal-culturele platforms: Vanuit burgers opgezet zoals lokale of regionale
platforms voor handel, milieu, zorg en welzijn
3 mechanismen van platformwerking:
1. Dataficatie: Het achterhalen, meten, interpreteren en voorspellen van het
mediagebruik, en het gebruik van big data en social data
2. Commodificatie: Zaken, acties en concepten in verhandelbare producten omzetten
3. Selectie: Gebruikers geven aan welke zaken, relaties en concepten voor hun
communicatie met het platform van belang zijn
Platform: een gemedieerde en openbare ontmoetingsplaats waar mensen vanuit hun
netwerken content met elkaar delen en bespreken