WEEK 1
3 dimensies van macht
1) Iemand iets laten doen wat iemand normaal niet zou doen
2) Iemand iets laten doen wat iemand niet wil doen
3) Iemand iets laten doen waarvan zij niet doorhebben dat het tegen hun eigen belangen ingaat
3 centrale vragen
1) Wat kan politiek gedrag verklaren?
- Belangen (rationale keuze theorie, politieke psychologie)
- Overtuigingen (politieke cultuur, politieke ideologie)
- Structuren (marxisme, rational choice institutionalism, historical institutionalism)
2) Wie regeert?
- Pluralist theory: elke samenleving bestaat uit verschillende groepen en macht is verdeeld
over deze groepen -> geen enkele groep heeft complete of permanente macht
- Elite theory: elke samenleving wordt geregeerd door een elite
3) Waar en waarom doet bepaald politiek gedrag zich voor?
Karakteristieken moderne staat
1) Territorium
- Gebied met duidelijke grenzen
2) Externe en interne soevereiniteit
- In staat om eigen territorium te verdedigen (extern), niet in hoge mate afhankelijk van een
andere macht (intern)
3) Legitimiteit
- Erkennen van gezag, d.w.z. het recht van de overheid om beslissingen om beslissingen te
nemen
- Traditioneel
- Charismatisch
- Rationeel-juridisch
4) Bureaucracy
- Groot aantal benoemde personen wiens functie het is om wetgeving te implementeren
Moderne staat = ideaaltype
- Strong state: kan eigen bevolking van politieke goederen voorzien (Duitsland)
- Weak state: kan eigen bevolking deels van politieke goederen voorzien (Iran)
- Failed state: verliest complete soevereiniteit over een deel van het territorium (Syrië)
- Quasi-state: heeft wel soevereiniteit en wettelijke erkenning, maar niet de binnenlandse kenmerken
van een werkende staat (vooral in Afrika -> afhankelijk van buitenlandse hulp)
Relatie staat-burgers
1) Politiek regime: een geheel van formele en informele regels, definieert het type regering van een
land
- Liberale democratie (Rousseau) (VK)
- Sociaal contract: legitieme regeringen worden gevormd wanneer vrije en autonome
individuen een contract aangaan waarin is vastgelegd dat vertegenwoordigers hen
mogen regeren met inachtneming van hun gemeenschappelijke belangen
- Robert Dahl -> wanneer een democratie?
Vrijheid van vereniging, vrijheid van meningsuiting, passief en actief stemrecht, recht
voor politici om steun te vergaren, meerdere bronnen voor politieke informatie, vrije
, en eerlijke verkiezingen, instituties die ervoor zorgen dat regeringsbeleid gebaseerd
is op hoe er gestemd is op burgers
- Communisme: Sovjet Union
- Fascisme: Italië (1930s)
- Modernizing authoritarianism: China
- Personalist regime: Uganda (1971-1979)
- Electoral authorianism: Rusland
- Theocratie: Iran, Vaticaan
Liberale democratie
Sociale democratie: liberale democratie met meer grondrechten en controle over economie
Participatiedemocratie: burgers participeren actief
Overheid: geheel van instituties en instellingen waarmee een samenleving wordt bestuurd
Instituties: regels, procedures en gedrag voor het nemen van collectieve- of voor iedereen geldende
besluiten
‘Governance’: proces waarlangs de groeps- of collectieve besluiten worden genomen
Politiek: proces waarin verschillende maatschappelijke belangen tot overheidsbesluiten worden
omgezet
Regels van consociational democracy
1) Minority veto (bij gevoelige zaken, niet doordrukken)
2) Proportionality (evenredige vertegenwoordiging: geen districtenstelsel)
3) High degree of autonomy (autonomie in eigen kring)
4) Grand coalition (meerderheidskabinetten)
Veranderingen
- Individualisering
- Afname identificatie met sociale groep, grotere individuele bewustwording ->
ontkerkelijking, afname lidmaatschap vakbeweging
- Mondialisering = globalisering
- Toename verbindingen met het buitenland in werk/wonen/familie
Nederlandse politiek
- Minderhedenpolitiek
1) Niemand heeft een meerderheid
, 2) Iedere partij moet met anderen samenwerken
-> Dit vereist samenwerking in plaats van concurrentie door de politieke elite
3 dimensies van macht
1) Iemand iets laten doen wat iemand normaal niet zou doen
2) Iemand iets laten doen wat iemand niet wil doen
3) Iemand iets laten doen waarvan zij niet doorhebben dat het tegen hun eigen belangen ingaat
3 centrale vragen
1) Wat kan politiek gedrag verklaren?
- Belangen (rationale keuze theorie, politieke psychologie)
- Overtuigingen (politieke cultuur, politieke ideologie)
- Structuren (marxisme, rational choice institutionalism, historical institutionalism)
2) Wie regeert?
- Pluralist theory: elke samenleving bestaat uit verschillende groepen en macht is verdeeld
over deze groepen -> geen enkele groep heeft complete of permanente macht
- Elite theory: elke samenleving wordt geregeerd door een elite
3) Waar en waarom doet bepaald politiek gedrag zich voor?
Karakteristieken moderne staat
1) Territorium
- Gebied met duidelijke grenzen
2) Externe en interne soevereiniteit
- In staat om eigen territorium te verdedigen (extern), niet in hoge mate afhankelijk van een
andere macht (intern)
3) Legitimiteit
- Erkennen van gezag, d.w.z. het recht van de overheid om beslissingen om beslissingen te
nemen
- Traditioneel
- Charismatisch
- Rationeel-juridisch
4) Bureaucracy
- Groot aantal benoemde personen wiens functie het is om wetgeving te implementeren
Moderne staat = ideaaltype
- Strong state: kan eigen bevolking van politieke goederen voorzien (Duitsland)
- Weak state: kan eigen bevolking deels van politieke goederen voorzien (Iran)
- Failed state: verliest complete soevereiniteit over een deel van het territorium (Syrië)
- Quasi-state: heeft wel soevereiniteit en wettelijke erkenning, maar niet de binnenlandse kenmerken
van een werkende staat (vooral in Afrika -> afhankelijk van buitenlandse hulp)
Relatie staat-burgers
1) Politiek regime: een geheel van formele en informele regels, definieert het type regering van een
land
- Liberale democratie (Rousseau) (VK)
- Sociaal contract: legitieme regeringen worden gevormd wanneer vrije en autonome
individuen een contract aangaan waarin is vastgelegd dat vertegenwoordigers hen
mogen regeren met inachtneming van hun gemeenschappelijke belangen
- Robert Dahl -> wanneer een democratie?
Vrijheid van vereniging, vrijheid van meningsuiting, passief en actief stemrecht, recht
voor politici om steun te vergaren, meerdere bronnen voor politieke informatie, vrije
, en eerlijke verkiezingen, instituties die ervoor zorgen dat regeringsbeleid gebaseerd
is op hoe er gestemd is op burgers
- Communisme: Sovjet Union
- Fascisme: Italië (1930s)
- Modernizing authoritarianism: China
- Personalist regime: Uganda (1971-1979)
- Electoral authorianism: Rusland
- Theocratie: Iran, Vaticaan
Liberale democratie
Sociale democratie: liberale democratie met meer grondrechten en controle over economie
Participatiedemocratie: burgers participeren actief
Overheid: geheel van instituties en instellingen waarmee een samenleving wordt bestuurd
Instituties: regels, procedures en gedrag voor het nemen van collectieve- of voor iedereen geldende
besluiten
‘Governance’: proces waarlangs de groeps- of collectieve besluiten worden genomen
Politiek: proces waarin verschillende maatschappelijke belangen tot overheidsbesluiten worden
omgezet
Regels van consociational democracy
1) Minority veto (bij gevoelige zaken, niet doordrukken)
2) Proportionality (evenredige vertegenwoordiging: geen districtenstelsel)
3) High degree of autonomy (autonomie in eigen kring)
4) Grand coalition (meerderheidskabinetten)
Veranderingen
- Individualisering
- Afname identificatie met sociale groep, grotere individuele bewustwording ->
ontkerkelijking, afname lidmaatschap vakbeweging
- Mondialisering = globalisering
- Toename verbindingen met het buitenland in werk/wonen/familie
Nederlandse politiek
- Minderhedenpolitiek
1) Niemand heeft een meerderheid
, 2) Iedere partij moet met anderen samenwerken
-> Dit vereist samenwerking in plaats van concurrentie door de politieke elite