Anamnesevragen logopedie – incl. voorbeelden
Inhoud:
1. Wanneer wel/niet behandelen? (blz. 1)
2. Opbouw anamnese (blz. 1)
3. Voorbeelden anamnesevragen (blz. 2)
4. Anamnesevragen thema's (blz. 4)
5. Anamnese meertalig (blz. 7)
1. Wanneer wel/niet behandelen?
Factoren die bepalen of je wel/niet gaat behandelen:
- Hoe is de moedertaal (bij meertalige kinderen)?
Eerst vaststellen of er überhaupt een probleem is in de moedertaal. Als dat niet het geval is,
moedertaal is in orde, alleen er zijn problemen in het Nederlands (tweede taal): moet je bij een
logopedist terecht komen? In principe niet. Verzekeraar vindt van niet. Dat is NT2-problematiek.
Dit is niet waar wij in gespecialiseerd zijn. Het is niet waarvoor wij kinderen behandelen. We
behandelen eigenlijk alleen kinderen met taalstoornissen, taalproblemen die dusdanig zijn dat ze
daarvoor behandeld moeten worden.
Je moet weten hoe de ontwikkeling is in de eerste taal – kennis voor hebben.
- Goede anamnese
- Evt. onderzoek met behulp van een tolk, in de moedertaal, om vast te stellen of de moedertaal in
orde is.
- Daarnaast weten: hoeveel Nederlands is er aangeboden? M.a.w.: is het feit dat het kind het
Nederlands niet goed kan, heeft dat te maken met het feit dat het kind het te weinig Nederlands
heeft gehoord? Of nog maar net begint met het leren van Nederlands. Dan moet je het kind de
gelegenheid geven om het Nederlands te leren.
- Indien er een probleem is in de moedertaal en in het Nederlands, en er is voldoende blootstelling
in het Nederlands geweest waardoor je kan zeggen, in feite zou op basis van wat andere kinderen
doen die geen taalprobleem hebben, zou je nu kunnen zeggen dat kind zou eigenlijk het
Nederlands wel opgepakt moeten hebben – een reden om te behandelen.
Bij de anamnese vraag je naar de zinsontwikkeling en de woordontwikkeling (passief en actief)
2. Opbouw anamnese
1. Begin met een opening met uitleg over wat de bedoeling van je gesprek is, en hoe het ongeveer
gaat verlopen en wat je van plan bent om te vragen.
2. Je vraagt naar persoonsgegevens.
3. Je stelt vragen waarmee de klacht duidelijk wordt en waarmee de klachtgeschiedenis wordt
uitgelegd door de ander.
1