Basisstof 1
Chromosomen bestaan voor een belangrijk deel uit DNA. DNA bevat de erfelijke informatie
van een organisme.
5-HTTLPR-gen = bevat de informatie voor stoffen die invloed hebben op je stemming en
zelfvertrouwen.
Lange 5-HTTLPR-gen = meer geluk.
Korte 5-HTTLPR-gen = minder geluk.
Erfelijkheid heeft vooral te maken met reproductie en het speelt zich af op het organismen
niveau.
Basisstof 2
Fenotype = de waarneembare eigenschappen van een individu.
Wordt bepaald door het genotype en milieufactoren (licht, ziekte, voeding,
opvoeding).
Genotype = de erfelijke eigenschappen van een individu, het totale pakket aan genen in een
cel.
Gen = een deel van een chromosoom dat de informatie bevat voor één erfelijke eigenschap
of een deel van een erfelijke eigenschap (erffactor).
Fenotype door genotype = oogkleur, bloedgroep etc.
Fenotype door milieufactoren = littekens, lengte van de nagels etc.
Eeneiige tweeling = zijn ontstaan uit een bevruchte eicel.
Na de deling van de zygote ontstaan er twee cellen en die splitsen.
Ze hebben hetzelfde genotype.
Twee-eiige tweeling = ontstaan uit twee zaadcellen en twee eicellen.
Ze hebben niet hetzelfde genotype.
DNA-sequentie = de volgorde van vier verschillende bouwstenen waaruit DNA is
opgebouwd. Door die volgorde kan de erfelijke informatie in een cel worden opgeslagen in
het DNA.
Ze zijn voor het overgrote deel gelijk, mutaties zorgen voor kleine veranderingen.
Genexpressie = het tot uiting komen van een gen.
Genen kunnen aan en uit worden gezet.
Genexpressie verschilt per weefsel/cel.
Epi genetica = de studie van wijzigingen in de genexpressie, zonder dat er wijzigingen in de
DNA-sequentie plaatsvinden.
Deze wijzigingen in de genexpressie zijn omkeerbaar, maar soms stabiel en erfelijk.