1. Jan is een cliënt die net bij jou op de groep is komen wonen. Hij rookt zijn
hele leven al en wil ook op zijn kamer roken. Dit mocht op de vorige groep
namelijk ook. Dit botst met jou normen en waarden. Dit is:
A Methodisch perspectief
B Empirisch perspectief
C Ethisch perspectief
2. Liesbeth heeft een verstandelijke beperking en is zwanger geworden,
Liesbeth denkt erover na om het weg te laten halen.
Daisy de sociaal werker is islamitisch en fel tegen abortus. Mag Daisy er
voor kiezen om Liesbeth niet verder te helpen?
A Volgende de beroepscode mag Daisy er voor kiezen om Liesbeth door te
verwijzen naar een collega omdat dit botst met haar eigen waarden. Dit moet ze
beide partijen uitleggen
B Volgende de beroepscode mag Daisy er voor kiezen om Liesbeth door te
verwijzen naar een collega omdat dit botst met haar eigen waarde. Maar hier
moet Daisy over zwijgen tegenover iedereen.
C Daisy mag Liesbeth niet verwijzen naar iemand anders, Daisy moet over haar
eigen waarde heen stappen
3. Daisy is met haar fiets tegen een auto gereden. De auto heeft behoorlijke
schade opgelopen maar Daisy besluit om snel door te fietsen. Hier is sprake
van:
A Determinisme
B Interdeterminisme
4. Wat is de juiste volgorde:
A; Normen, waarden, regels
B Regels, normen, waarden
C Waarden, normen, regels
5. Ethiek houd zich vooral bezig met:
1- Onderscheid maken in goed en fout
2- De zoektocht naar rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid
A 1 is goed 2 is fout
B 1 is fout 2 is goed
C 1 en 2 zijn juist
D 1 en 2 zijn onjuist
6. Het menselijk handelen beoordelen op basis van morele principes kun je
koppelen aan:
A Beschrijvende of descriptieve ethiek
B Normatieve prescriptieve ethiek