1. Welke factor beïnvloed de therapie het meest?
A. Therapeutische relatie
B Onverklaarbare factoren
C Therapeutische relatie & Placebo effect
D Therapeutische relatie & Patiënt factor
2. Uit elke stroming een methode gebruiken noemen we?
A Evidence based
B Fixatie
C Overdracht
D Eclectisch werken
3. Kind wil moeder voor zich zelf en ziet vader als een rivaal. De vader geeft
het kind duidelijke grenzen en regels waardoor het kind beseft dat het zich
beter kan identificeren met vader. Dit is een vorm van:
A Koppigheidsfase
B Oedipuscomplex
C Kortsluiting in het super ego
D Projectie
4. Het kind staat centraal hoort bij:
A Psychodynamische benadering
B Cliëntgerichtte benadering
C Cognitief- gedragstherapeutische benadering
D Experimentele benadering
5. Isa woont samen met haar partner Rik. Isa is stapel verliefd op rik en denkt
de hele dag aan hem. Als Isa thuis komt van school geeft ze Rik een knuffel en
zegt ‘’ Rik, ik hou ontzettend veel van jou’’. Hier is sprake van:
A Congruentie
B Exposure in vito
C Shaping
D Habituatie
6. Het geweten straft ons met schuldgevoel bij een overtreding. Dit hoort bij?
A ES
B EGO
C Super ego
D Ego & Superego
7. Je bent 21 jaar en hebt al een hele tijd verkering, vandaag krijg je te horen
dat het uit is. Hierdoor krijg je last van vreetbuien. Dit hoort bij:
A Fixatie + Anale fase
B Regressie + Genitale fase
1