Tijmstra en Boeije hoofdstuk 3 en 4
Deductief-nomologisch model = een model waarbinnen specifieke uitspraken kunnen worden
afgeleid uit algemene uitspraken (dit komt overeen met de deductieve fase uit de empirische
cyclus). De algemene uitspraken proberen een bepaald patroon in de werkelijkheid weer te
geven: ze beschrijven wetmatigheden.
Voorbeeld: als een van de algemene uitspraken binnen je theorie stelt dat alle vogels kunnen
vliegen, kun je daaruit afleiden dat dít dier – waarvan je aanneemt dat het een vogel is – zal
kunnen vliegen. Blijkt dit niet het geval te zijn, dan zit er in de afleiding een fout. Óf het is
geen vogel, óf niet alle vogels kunnen vliegen.
Een theorie volgt pas een DN-model als er voldaan is aan de volgende voorwaarden:
De uitspraken binnen de theorie zijn zeer precies geformuleerd: alle termen zijn goed
gedefinieerd en er worden geen vage of onduidelijke termen gebruikt zodat over de
betekenis van de uitspraak niet getwist kan worden.
De uitspraken waaruit de theorie bestaat, kunnen worden geordend naar
algemeenheid: sommige uitspraken – de kern van de theorie – zijn zeer algemeen,
terwijl andere uitspraken – de hypothesen – weer specifieker zijn.
Er moet een logisch verband zijn tussen de verschillende uitspraken binnen en
theorie. Dit houdt in dat de hypothesen afgeleid moeten kunnen worden uit
algemenere uitspraken. Om specifieke hypothesen te kunnen afleiden, zijn vaak wel
aannames of assumpties nodig.
De specifieke uitspraken van het model – de hypothesen – moeten door het doen van
observaties (empirie) getoetst kunnen worden.
Syllogisme = een strikt logische redenering waarin uit twee uitspraken een derde uitspraak –
de conclusie – afgeleid wordt.
1. Wanneer de verhouding tussen opbrengst en investering van de ene partner afwijkt
van die van de andere partner, is er sprake van een situatie die door beide partners
als onbillijk wordt ervaren (algemene uitspraak).
2. Wanneer een van de partners kanker heeft, zal de verhouding tussen opbrengsten en
investeringen van de partners ongelijk zijn (assumptie).
3. Wanneer een van de partners kanker heeft, zullen beide partners onbillijkheid
ervaren in de relatie (conclusie, hypothese die volgt uit de algemene uitspraken en
assumpties van de theorie).
4. Wanneer partners onbillijkheid ervaren, zullen beide partners minder tevreden zijn
over de relatie (algemene uitspraak).
5. Wanneer een van de partners kanker heeft, zullen beide partners minder tevreden
zijn over de relatie (conclusie).
Deterministisch = uitspraken zonder toevoegingen als ‘over het algemeen’ en ‘gemiddeld
genomen’. Bij deterministische theorieën is er geen twijfel mogelijk over de waarheid.
Probabilistisch = uitspraken met toevoegingen als ‘over het algemeen’ en ‘gemiddeld
genomen’.
Binnen de sociale wetenschappen bestaan theorieën vaak uit meer dan vijf uitspraken,
omdat veel van de algemene uitspraken binnen theorieën zich nog op een vrij abstract en
algemeen niveau bevinden. Bovendien moeten alle uitspraken, ook de logische, wellicht
overbodig lijkende, genoteerd worden, omdat anders de conclusie – de te toetsen hypothese
– niet logisch afgeleid kan worden uit de algemene uitspraken en de assumpties. Kijk maar
naar het volgende voorbeeld.
Deductief-nomologisch model = een model waarbinnen specifieke uitspraken kunnen worden
afgeleid uit algemene uitspraken (dit komt overeen met de deductieve fase uit de empirische
cyclus). De algemene uitspraken proberen een bepaald patroon in de werkelijkheid weer te
geven: ze beschrijven wetmatigheden.
Voorbeeld: als een van de algemene uitspraken binnen je theorie stelt dat alle vogels kunnen
vliegen, kun je daaruit afleiden dat dít dier – waarvan je aanneemt dat het een vogel is – zal
kunnen vliegen. Blijkt dit niet het geval te zijn, dan zit er in de afleiding een fout. Óf het is
geen vogel, óf niet alle vogels kunnen vliegen.
Een theorie volgt pas een DN-model als er voldaan is aan de volgende voorwaarden:
De uitspraken binnen de theorie zijn zeer precies geformuleerd: alle termen zijn goed
gedefinieerd en er worden geen vage of onduidelijke termen gebruikt zodat over de
betekenis van de uitspraak niet getwist kan worden.
De uitspraken waaruit de theorie bestaat, kunnen worden geordend naar
algemeenheid: sommige uitspraken – de kern van de theorie – zijn zeer algemeen,
terwijl andere uitspraken – de hypothesen – weer specifieker zijn.
Er moet een logisch verband zijn tussen de verschillende uitspraken binnen en
theorie. Dit houdt in dat de hypothesen afgeleid moeten kunnen worden uit
algemenere uitspraken. Om specifieke hypothesen te kunnen afleiden, zijn vaak wel
aannames of assumpties nodig.
De specifieke uitspraken van het model – de hypothesen – moeten door het doen van
observaties (empirie) getoetst kunnen worden.
Syllogisme = een strikt logische redenering waarin uit twee uitspraken een derde uitspraak –
de conclusie – afgeleid wordt.
1. Wanneer de verhouding tussen opbrengst en investering van de ene partner afwijkt
van die van de andere partner, is er sprake van een situatie die door beide partners
als onbillijk wordt ervaren (algemene uitspraak).
2. Wanneer een van de partners kanker heeft, zal de verhouding tussen opbrengsten en
investeringen van de partners ongelijk zijn (assumptie).
3. Wanneer een van de partners kanker heeft, zullen beide partners onbillijkheid
ervaren in de relatie (conclusie, hypothese die volgt uit de algemene uitspraken en
assumpties van de theorie).
4. Wanneer partners onbillijkheid ervaren, zullen beide partners minder tevreden zijn
over de relatie (algemene uitspraak).
5. Wanneer een van de partners kanker heeft, zullen beide partners minder tevreden
zijn over de relatie (conclusie).
Deterministisch = uitspraken zonder toevoegingen als ‘over het algemeen’ en ‘gemiddeld
genomen’. Bij deterministische theorieën is er geen twijfel mogelijk over de waarheid.
Probabilistisch = uitspraken met toevoegingen als ‘over het algemeen’ en ‘gemiddeld
genomen’.
Binnen de sociale wetenschappen bestaan theorieën vaak uit meer dan vijf uitspraken,
omdat veel van de algemene uitspraken binnen theorieën zich nog op een vrij abstract en
algemeen niveau bevinden. Bovendien moeten alle uitspraken, ook de logische, wellicht
overbodig lijkende, genoteerd worden, omdat anders de conclusie – de te toetsen hypothese
– niet logisch afgeleid kan worden uit de algemene uitspraken en de assumpties. Kijk maar
naar het volgende voorbeeld.