Huibers, cognitieve therapie bij stemmingsstoornissen.
De geschiedenis van de CT begint aan het einde van de jaren vijftig van de vorige eeuw, als Aaron T.
Beck zijn cognitieve theorie formuleert. Beck, op dat moment een psychoanalytische geschoolde
psychiater. De cognitieve theorie die Beck vervolgens ontwikkelt, is een
informatieverwerkingsmodel. Hierbij is de verwerking van externe stimuli verstoord, waardoor de
beleving van die stimuli door het individu vaak op een negatieve manier wordt ingekleurd,
resulterend in negatieve gedachten. De basis voor die verstoring wordt gevormd door disfunctionele
overtuigingen en assumpties die weer verankerd zijn in stabiele kennisstructuren, schema’s
genaamd. Schema’s kunnen worden geactiveerd door externe gebeurtenissen. Disfunctionele
schema’s zijn de onderliggende kwetsbaarheidsfactor die onder bepaalde omstandigheden een
depressie kan veroorzaken. Beck beschrijft in zijn boek ‘cognitive therapy of depression’ hierin hoe de
spontane, automatische gedachten van depressieve patiënten te veranderen zijn door de
onderliggende overtuigingen en schema’s te veranderen, en dat die veranderingen leiden tot een
afname van de depressieve symptomen. Dat gedachten, overtuigingen en schema’s te veranderen
zijn, is een belangrijke aanname in het cognitieve model, die mogelijk kan verklaren waarom
cognitieve therapie niet alleen effectief is in de behandeling van depressie, maar ook de terugval in
depressie kan voorkómen.
Beck gaat ervan uit dat de prikkels of stimuli vanuit een bepaalde situatie of omgeving automatisch
gedachten opwekken. Automatische gedachten zijn spontane gedachten of invallen die in ons hoofd
rondspoken, vaak zonder dat we ervan bewust zijn. Automatisch willen zeggen dat die gedachten
spontaan lijken po te duiken. Zonder dat we er ons best voor doen. Volgens Beck zijn die
automatische gedachten bij depressieve patiënten negatief gekleurd en geven ze een vertekend
beeld van de werkelijkheid.
Iemand met een depressie zal niet
alle informatie gebruiken die de
situatie biedt voor een afgewogen en
rationele interpretatie van die
situatie, maar zal van het negatiefste
scenario uitgaan, gevoed door eerder
ontstane ideeën van overtuigingen.
Volgens Beck zijn het vooral (vroege)
levenservaringen die de
onderliggende kennisstructuren
vormen waarin onze overtuigingen en
verwachtingen zijn vastgelegd, en die
wij gebruiken om de wereld om ons heen te begrijpen. Deze scenario’s of schema’s bevatten
rudimentaire ideeën over onszelf, de wereld en de toekomst, iets wat Beck de cognitieve triade
noemt. Volgens Beck wordt depressie gekenmerkt door drie negatief gekleurde hoofdthema’s die in
schema’s zijn verankerd in wezen de basis vormen voor de depressie:
- De diep gevoelde overtuiging dat men:
- hulpeloos
- waardeloos
- onbeminnelijk is.
Assumpties zijn gemakkelijk te herkennen aan de als-dan-vorm die ze vaak aannemen. Schema’s en
assumpties leiden weer tot coping gedrag waarmee het individu probeert houvast te krijgen op de
situatie. Overigens is het niet zo dat schema’s en overtuigingen te allen tijde geactiveerd zijn. Het is
waarschijnlijk dat ze worden opgewekt door gebeurtenissen die op de een of andere manier
congruent zijn met de onderliggende schema’s, in lijn met het diathese-stressmodel. Het zou
verklaren waarom depressieve episoden komen en gaan, en waarom depressieve patiënten die aan