Week 8
Zelfstudievragen
1. Negatief retributivisme berust op het (negatieve) principe dat alleen zij die schuldig
zijn gestraft mogen worden waarbij de straf niet zwaarder mag zijn dan
evenredigheid toelaat. Positief retributivisme is wel volledig in haar verantwoording
van straf. Gerechtigheid eist dat straf uitgedeeld wordt aan plegers van delicten; het
is niet slechts toegestaan om schuldigen te straffen, maar er sprake van een (morele)
noodzaak of plicht om dit te doen, en wel op het maximum van wat het negatieve
principe toelaat.
2. Utilitaristische benaderingen zijn toekomstgericht. De algemene rechtvaardiging voor
de praktijk van straffen wordt gevonden in het veronderstelde nut ervan voor de
toekomst. Deze utiliteit rechtvaardigt het leed dat aan individuele daders worden
toegevoegd door middel van straf. De ideeën van Beccaria berusten op een
combinatie van een contract-theorie met utilitarisme. Zijn uitgangspunt was dat
genot en pijn de motiverende krachten bij uitstek van alle wezens zijn. Hij maakt
gebruikt van een maatschappelijk contract.
3. Het mensbeeld van de Utrechters was dat hun een mensbeeld voor ogen stond van
de delinquent als evenmens die verdient met medemenselijkheid, respect en
vertrouwen tegemoet te worden getreden en wiens individuele rechten niet mogen
worden verwaarloosd.
4. In de verenigingstheorie wordt een scherp onderscheid gemaakt tussen de
rechtsgrond enerzijds en het doel van het strafrecht anderzijds. De vergelding vormt
in de gemengde gedachte de grondslag van de straf, dat wil zeggen de
rechtvaardiging daarvan. De vergelding mag een bepaalde straf rechtvaardigen, maar
biedt tegelijkertijd bescherming aan de verdachte, in die zin dat deze uit hoofde van
de proportionaliteit in relatie tot de ernst van de daad en het verwijt dat hem
daarvan mag worden gemaakt een bovengrens vormt tot waar de strafrechter bij de
straftoemeting gerechtigd is te gaan. Deze bovengrens wordt bepaald door de maat
van de vergelding in het concrete geval.
5. 1. Constitutive luck- the kind of person you are, where this is not just a question of
what you deliberately do, but of your inclinations, capacities and temperament.
2. Luck in one’s circumstances – the kind of problems and situations one faces.
3. Luck in how one is determined by antecedent circumstances.
4. Luck in the way one’s actions and projects turn out.
Werkgroepopdrachten
Opdracht 1: casus Prachtkar (vervolg)
1. Voor feitelijk leidinggeven moet er eerst strafbaarheid van de rechtspersoon zijn, dit is
vorige week vastgesteld in de opdracht. De Officier van Justitie gebruikt de criteria van
functioneel daderschap. Hij heeft over het hoofd gezien dat er voor feitelijk leidinggeven
andere criteria gelden. Er is hier geen sprake van functioneel daderschap. De criteria voor
feitelijk leidinggeven zijn:
1. Accessoriteit
Zelfstudievragen
1. Negatief retributivisme berust op het (negatieve) principe dat alleen zij die schuldig
zijn gestraft mogen worden waarbij de straf niet zwaarder mag zijn dan
evenredigheid toelaat. Positief retributivisme is wel volledig in haar verantwoording
van straf. Gerechtigheid eist dat straf uitgedeeld wordt aan plegers van delicten; het
is niet slechts toegestaan om schuldigen te straffen, maar er sprake van een (morele)
noodzaak of plicht om dit te doen, en wel op het maximum van wat het negatieve
principe toelaat.
2. Utilitaristische benaderingen zijn toekomstgericht. De algemene rechtvaardiging voor
de praktijk van straffen wordt gevonden in het veronderstelde nut ervan voor de
toekomst. Deze utiliteit rechtvaardigt het leed dat aan individuele daders worden
toegevoegd door middel van straf. De ideeën van Beccaria berusten op een
combinatie van een contract-theorie met utilitarisme. Zijn uitgangspunt was dat
genot en pijn de motiverende krachten bij uitstek van alle wezens zijn. Hij maakt
gebruikt van een maatschappelijk contract.
3. Het mensbeeld van de Utrechters was dat hun een mensbeeld voor ogen stond van
de delinquent als evenmens die verdient met medemenselijkheid, respect en
vertrouwen tegemoet te worden getreden en wiens individuele rechten niet mogen
worden verwaarloosd.
4. In de verenigingstheorie wordt een scherp onderscheid gemaakt tussen de
rechtsgrond enerzijds en het doel van het strafrecht anderzijds. De vergelding vormt
in de gemengde gedachte de grondslag van de straf, dat wil zeggen de
rechtvaardiging daarvan. De vergelding mag een bepaalde straf rechtvaardigen, maar
biedt tegelijkertijd bescherming aan de verdachte, in die zin dat deze uit hoofde van
de proportionaliteit in relatie tot de ernst van de daad en het verwijt dat hem
daarvan mag worden gemaakt een bovengrens vormt tot waar de strafrechter bij de
straftoemeting gerechtigd is te gaan. Deze bovengrens wordt bepaald door de maat
van de vergelding in het concrete geval.
5. 1. Constitutive luck- the kind of person you are, where this is not just a question of
what you deliberately do, but of your inclinations, capacities and temperament.
2. Luck in one’s circumstances – the kind of problems and situations one faces.
3. Luck in how one is determined by antecedent circumstances.
4. Luck in the way one’s actions and projects turn out.
Werkgroepopdrachten
Opdracht 1: casus Prachtkar (vervolg)
1. Voor feitelijk leidinggeven moet er eerst strafbaarheid van de rechtspersoon zijn, dit is
vorige week vastgesteld in de opdracht. De Officier van Justitie gebruikt de criteria van
functioneel daderschap. Hij heeft over het hoofd gezien dat er voor feitelijk leidinggeven
andere criteria gelden. Er is hier geen sprake van functioneel daderschap. De criteria voor
feitelijk leidinggeven zijn:
1. Accessoriteit