Inhoud
Eetproblematiek .............................................................................................................................................................. 2
De DIO weet wat de DSM 5 inhoudt ........................................................................................................................... 2
De DIO weet hoe zorgverleners de DSM 5 gebruiken ................................................................................................. 2
De DIO heeft kennis van het biopsychosociale model ................................................................................................ 3
De DIO kan vanuit het biopsychosociaal model verklaringen geven voor het ontstaan van verstoord eetgedrag ... 4
De DIO weet wat selectieve voedselacceptatie inhoudt............................................................................................. 4
De DIO kent de GOS-indeling van eetstoornissen bij kinderen onder de 16 jaar ....................................................... 5
De DIO kan het eetgedrag verklaren vanuit leermechanismen en de sociaal-cognitieve leertheorie ....................... 5
De DIO heeft inzicht in de relatie temperament en eetgedrag .................................................................................. 6
De DIO kent de verschillende eetstijlen van kinderen ................................................................................................ 8
De DIO kan afwijkend eetgedrag signaleren ............................................................................................................... 9
De DIO is op de hoogte van de relatie opvoedstijlen en eetproblematiek bij kinderen........................................... 10
De DIO heeft inzicht in de psychosociale gevolgen van verstoord eetgedrag bij kinderen ...................................... 12
De DIO kent de classificatiecriteria DSM 5 van de eetstoornis PICA, Vermijdende/ Restrictieve
voedselinnamestoornis en de Ruminatiestoornis. .................................................................................................... 13
De DIO heeft inzicht in de determinanten (beschermende factoren en risicofactoren) van eetproblemen bij
kinderen. .................................................................................................................................................................... 15
De DIO kent de prevalentiecijfers van bovenstaande beschreven eetstoornissen. ................................................. 16
De DIO heeft kennis van de psychische comorbiditeit van bovenstaande beschreven eetstoornissen. ................. 16
Eetstoornissen ............................................................................................................................................................... 16
heeft kennis van de prevalentie en incidentie van eetstoornissen .......................................................................... 16
heeft kennis van de determinanten/risicofactoren voor eetstoornissen ................................................................. 16
kan het ontstaan van eetstoornissen verklaren vanuit het biopsychosociaal model ............................................... 18
heeft inzicht in de rol van persoonlijkheid en de rol van emoties bij het ontstaan van eetstoornissen. ................. 18
kent de diagnostische criteria volgens de DSM 5 van eetstoornissen ...................................................................... 19
weet welke psychologische behandelingen effectief zijn voor eetstoornissen, kan de belangrijkste kenmerken van
deze behandelingen noemen en weet waar en door welke disciplines deze behandelingen worden uitgevoerd . 21
weet welke diëtistische behandelingen en technieken effectief zijn bij de behandeling van eetstoornissen ......... 21
kent de rol van de diëtist in de behandeling van eetstoornissen ............................................................................. 22
De DIO past de REO toe, interpreteert de uitslag, en weet hoe de diëtist dit in de praktijk kan toepassen ........... 24
De DIO is bekend met de lichamelijke en psychische gevolgen van eetstoornissen ................................................ 24
De DIO heeft kennis van de psychische comorbiditeit van eetstoornissen .............................................................. 25