Week 3
Zelfstudievragen
1. Iemand heeft geen schuld in de zin van het gedaan hebben, de geestesgesteldheid of
intentie waarmee een bepaalde strafbare gedraging is verricht of een bepaald
strafbaar gevolg in het leven is geroepen, schuld in enge zin, verwijtbaarheid,
grondsla voor de straftoemeting.
2. Kleurloos opzet: voor het aanwezig achten van opzet is het niet nodig dat wordt
vastgesteld dat de betrokkene wist dat wat hij deed wederrechtelijk is en ook
wettelijk strafbaar is gesteld. Boos opzet is dan dat het wel nodig is dat betrokkene
wist dat wat hij deed wederrechtelijk en wettelijk strafbaar is.
3. Voorwaardelijke opzet vereist dat het bewijs wordt geleverd van een
risicocomponent, een kenniscomponent en een wilscomponent. Er moet een
aanmerkelijke kans op een strafbaar gevolg of op een strafbare omstandigheid. De
dader moet wetenschap hebben van de aanmerkelijke kans. De dader moet de
aanmerkelijke kans hebben aanvaard, voor lief hebben genomen of op de koop toe
hebben genomen.
4. Aanmerkelijke onvoorzichtigheid, verwijtbaarheid en causaliteit (bij culpoze
gevolgsdelicten).
5. De bewuste schuld verschilt van de onbewuste schuld hierin, dat de laatste inhoud
dat men de mogelijkheid niet heeft voorzien, zich daarvan onbewust is geweest,
doch deze mogelijkheid had moeten voorzien en tevens anders had kunnen
handelen. Bij bewuste schuld had iemand de mogelijkheid van een gevolg wel
voorzien, maar het niet intreden daarvan op te lichtvaardige gronden heeft
aangenomen.
6. Voorwaardelijk opzet vereist de aanvaarding van een aanmerkelijke kans, bij bewuste
schuld ontbreekt die aanvaarding.
7. .
8. Objectivering, omdat het subjectieve opzet mede wordt afgeleid uit objectieve
omstandigheden. Normativering, omdat in dit interpretatie proces noodgedwongen
een beroep wordt gedaan op sociale normen uit kracht waarvan een gedraging in het
maatschappelijk verkeer eenvoudigweg heeft te gelden als een opzettelijke
gedraging.
9. Opzettelijk, met opzet, wetende dat, terwijl hij wist, kennis dragende dat; in
werkwoorden; middel of middelen of speciaal oogmerk.
10. A. Alle bestanddelen van de delictsomschrijving die daardoor taalkundig worden
beheerst. Alle andere delictsbestanddelen die in de delictsomschrijving na opzettelijk
of een equivalent daarvan zijn opgenomen.
B. Onttrokken aan de opzeteis.
Zelfstudievragen
1. Iemand heeft geen schuld in de zin van het gedaan hebben, de geestesgesteldheid of
intentie waarmee een bepaalde strafbare gedraging is verricht of een bepaald
strafbaar gevolg in het leven is geroepen, schuld in enge zin, verwijtbaarheid,
grondsla voor de straftoemeting.
2. Kleurloos opzet: voor het aanwezig achten van opzet is het niet nodig dat wordt
vastgesteld dat de betrokkene wist dat wat hij deed wederrechtelijk is en ook
wettelijk strafbaar is gesteld. Boos opzet is dan dat het wel nodig is dat betrokkene
wist dat wat hij deed wederrechtelijk en wettelijk strafbaar is.
3. Voorwaardelijke opzet vereist dat het bewijs wordt geleverd van een
risicocomponent, een kenniscomponent en een wilscomponent. Er moet een
aanmerkelijke kans op een strafbaar gevolg of op een strafbare omstandigheid. De
dader moet wetenschap hebben van de aanmerkelijke kans. De dader moet de
aanmerkelijke kans hebben aanvaard, voor lief hebben genomen of op de koop toe
hebben genomen.
4. Aanmerkelijke onvoorzichtigheid, verwijtbaarheid en causaliteit (bij culpoze
gevolgsdelicten).
5. De bewuste schuld verschilt van de onbewuste schuld hierin, dat de laatste inhoud
dat men de mogelijkheid niet heeft voorzien, zich daarvan onbewust is geweest,
doch deze mogelijkheid had moeten voorzien en tevens anders had kunnen
handelen. Bij bewuste schuld had iemand de mogelijkheid van een gevolg wel
voorzien, maar het niet intreden daarvan op te lichtvaardige gronden heeft
aangenomen.
6. Voorwaardelijk opzet vereist de aanvaarding van een aanmerkelijke kans, bij bewuste
schuld ontbreekt die aanvaarding.
7. .
8. Objectivering, omdat het subjectieve opzet mede wordt afgeleid uit objectieve
omstandigheden. Normativering, omdat in dit interpretatie proces noodgedwongen
een beroep wordt gedaan op sociale normen uit kracht waarvan een gedraging in het
maatschappelijk verkeer eenvoudigweg heeft te gelden als een opzettelijke
gedraging.
9. Opzettelijk, met opzet, wetende dat, terwijl hij wist, kennis dragende dat; in
werkwoorden; middel of middelen of speciaal oogmerk.
10. A. Alle bestanddelen van de delictsomschrijving die daardoor taalkundig worden
beheerst. Alle andere delictsbestanddelen die in de delictsomschrijving na opzettelijk
of een equivalent daarvan zijn opgenomen.
B. Onttrokken aan de opzeteis.