Hoorcollege SBR Week 6
Grondrechten
Grondrechten passen van oudsher vooral bij het liberale gedachtegoed, dat vanaf de
Verlichting opkwam in West-Europa. Het gaat ervan uit dat de burger vrijheden heeft ten
opzichte van de overheid. Deze vrijheden bieden de burger de mogelijkheid zich te
ontwikkelen. Staten werden steeds democratischer die ervoor zorgen dat jij als burger de
rechten hebt de overheid te beïnvloeden.
Soorten grondrechten
- Bodemnormen (art. 114 Gw of 3 EVRM)
- Vrijheidsrechten (art. 6 t/m 11 Gw)
- Gelijkheidsrechten (art. 1,3,4 Gw)
- Politieke participatierechten (art. 4, 53 t/m 55 Gw)
o Mix van gelijkheidsrechten en vrijheidsrechten
o Recht om een politieke partij op te richten
o Kiesrecht
Klassieke grondrechten
Er zijn klassieke grondrechten en sociale grondrechten. Klassieke grondrechten zijn de
grondrechten die aan burgers bepaalde subjectieve rechten toekennen. Klassieke
grondrechten richten zich tot de burgers. Subjectieve rechten zijn rechten die door
rechtssubjecten kunnen worden vastgesteld. Rechten waar je als individu een beroep op kan
doen. Het zijn rechten die zodanig geformuleerd zijn dat ze “hard” zijn. Ze worden klassiek
genoemd omdat ze met name op kwamen tijdens de Franse Revolutie (vrijheid, gelijkheid,
broederschap). Mensenrechtenverdragen worden ook tot de klassieke grondrechten
gerekend. Deze werden vooral na de Tweede Wereldoorlog opgesteld. Voorbeelden zijn het
EVRM, het IVBPR en het BuPo. Sommige bepalingen uit de mensenrechtenverdragen staan
niet in de Nederlandse Grondwet. Via deze bepalingen komen ze toch in de “Nederlandse
wet” terecht. Artikel 93 en 94 van de Grondwet stelt dat de bepalingen van internationale
verdragen boven de nationale wet staat.
Sociale grondrechten
Sociale grondrechten staan in bijvoorbeeld artikel 9 t/m 22 van de Grondwet. Sociale
grondrechten zijn niet makkelijk afdwingbaar. Het zijn een soort instructies voor de
overheid. Ze zijn ook bedoeld om mensen tot ontplooiing te laten komen. Het zijn dingen
waarnaar gestreefd wordt. Ze richten zich tot de overheid. Ze zijn bedoeld om sociale en
maatschappelijke randvoorwaarden te creëren waarbinnen burgers zich kunnen
ontwikkelen. Het zijn normen voor de overheid, waarnaar zij moeten streven. Ze staan
onder andere in het ESH en het IVESC. Het is een inspanningsverplichting, de overheid moet
zich inspannen voor deze sociale grondrechten. Soms zijn het ook subjectieve rechten, zoals
in het stakingsrecht of het recht op vakverenigingen (vakbonden). Ze zijn een stuk recenter
dan de klassieke grondrechten. Ze komen voornamelijk op in de tweede helft van de 20 e
eeuw.
Grondrechten
Grondrechten passen van oudsher vooral bij het liberale gedachtegoed, dat vanaf de
Verlichting opkwam in West-Europa. Het gaat ervan uit dat de burger vrijheden heeft ten
opzichte van de overheid. Deze vrijheden bieden de burger de mogelijkheid zich te
ontwikkelen. Staten werden steeds democratischer die ervoor zorgen dat jij als burger de
rechten hebt de overheid te beïnvloeden.
Soorten grondrechten
- Bodemnormen (art. 114 Gw of 3 EVRM)
- Vrijheidsrechten (art. 6 t/m 11 Gw)
- Gelijkheidsrechten (art. 1,3,4 Gw)
- Politieke participatierechten (art. 4, 53 t/m 55 Gw)
o Mix van gelijkheidsrechten en vrijheidsrechten
o Recht om een politieke partij op te richten
o Kiesrecht
Klassieke grondrechten
Er zijn klassieke grondrechten en sociale grondrechten. Klassieke grondrechten zijn de
grondrechten die aan burgers bepaalde subjectieve rechten toekennen. Klassieke
grondrechten richten zich tot de burgers. Subjectieve rechten zijn rechten die door
rechtssubjecten kunnen worden vastgesteld. Rechten waar je als individu een beroep op kan
doen. Het zijn rechten die zodanig geformuleerd zijn dat ze “hard” zijn. Ze worden klassiek
genoemd omdat ze met name op kwamen tijdens de Franse Revolutie (vrijheid, gelijkheid,
broederschap). Mensenrechtenverdragen worden ook tot de klassieke grondrechten
gerekend. Deze werden vooral na de Tweede Wereldoorlog opgesteld. Voorbeelden zijn het
EVRM, het IVBPR en het BuPo. Sommige bepalingen uit de mensenrechtenverdragen staan
niet in de Nederlandse Grondwet. Via deze bepalingen komen ze toch in de “Nederlandse
wet” terecht. Artikel 93 en 94 van de Grondwet stelt dat de bepalingen van internationale
verdragen boven de nationale wet staat.
Sociale grondrechten
Sociale grondrechten staan in bijvoorbeeld artikel 9 t/m 22 van de Grondwet. Sociale
grondrechten zijn niet makkelijk afdwingbaar. Het zijn een soort instructies voor de
overheid. Ze zijn ook bedoeld om mensen tot ontplooiing te laten komen. Het zijn dingen
waarnaar gestreefd wordt. Ze richten zich tot de overheid. Ze zijn bedoeld om sociale en
maatschappelijke randvoorwaarden te creëren waarbinnen burgers zich kunnen
ontwikkelen. Het zijn normen voor de overheid, waarnaar zij moeten streven. Ze staan
onder andere in het ESH en het IVESC. Het is een inspanningsverplichting, de overheid moet
zich inspannen voor deze sociale grondrechten. Soms zijn het ook subjectieve rechten, zoals
in het stakingsrecht of het recht op vakverenigingen (vakbonden). Ze zijn een stuk recenter
dan de klassieke grondrechten. Ze komen voornamelijk op in de tweede helft van de 20 e
eeuw.