Samenvatting reader
Week 5
Een zekerheidsrecht strekt tot waarborg voor de voldoening van een schuld. Het is een
afhankelijk recht. Volstrekte zekerheidsrechten geven de gerechtigde een absoluut recht
(pand en hypotheek). Betrekkelijke zekerheidsrechten geven een persoonlijk recht. De
beperkt gerechtigde kan zijn recht ook tegen opvolgers van de hoofdgerechtigde onder
bijzondere titel uitoefenen, droit de suite. Er is ook sprake van een droit de préférence.
In het Romeins recht waren de dienstbaarheden (servitutes) verdeeld in persoonlijke en
zakelijk, de persoonlijke was het recht van vruchtgebruik, de zakelijke was de
erfdienstbaarheid. Wij kennen geen persoonlijke dienstbaarheden meer, servituut is nu
erfdienstbaarheid in het algemeen. Een erfdienstbaarheid op een eigen erf is niet mogelijk:
nulli res sua servit (het eigen erf dient aan niemand). Vereisten:
- Utilitas: het dienende erf komt het heersende ten nutte.
o Nutsvereiste
- Vicinitas: beide erven dienen in elkaars buurt te liggen, maar hoeven niet aan elkaar
te grenzen.
o Naburigheidsvereiste
- Causa perpetua: erfdienstbaarheid dient een blijvende oorzaak te hebben.
Het nutsvereiste, en dus ook het naburigheidsvereiste, wat in het nutsvereiste lag, zijn in het
huidige recht geschrapt.
Ontstaan:
- Landelijke erfdienstbaarheden ontstonden op dezelfde manier als waarop de
eigendom van een onroerende zaak was gevestigd, door mancipatio en in iure cessio.
o Mancipatio was een manier waarop res mancipi konden worden
overgedragen en werd afgeschaft door Justitianus.
o In iure cessio was een overdracht door een proces.
- De stedelijke erfdienstbaarheden werden niet als res mancipi beschouwd, zij konden
alleen ontstaan door in iure cessio.
- Toen deze wijzen niet meer werden gebruikt, was de traditio de enige wijze van
verkrijging. De tradens maakte de feitelijke uitoefening door verkrijger mogelijk en
liet dit toe.
- De praetor beschermde de langdurige feitelijke uitoefening, het bezit van de
erfdienstbaarheid, door een bezitsinterdict. Hiermee werd verkrijging door verjaring
mogelijk (door Justitianus mogelijk gemaakt).
Tenietgaan:
- Tenietgaan heersend of dienende erf
- Eenzijdige afstand door de eigenaar van het heersende erf
- Confusio (vermenging)
- Non usus: gedurende een zekere tijd wordt er geen gebruik gemaakt van het recht.
=geen bevrijdende verjaring: hierbij gaat slechts de actie teniet en blijft het recht
bestaan. Bij non-usus gaat recht teniet.
o Bestaat niet meer in huidig recht
De eigenaar van het heersende erf heeft een actie tegen de eigenaar van het dienende erf
en tegen iedere derde die hem in de uitoefening van zijn recht stoort: actio confessoria.
Week 5
Een zekerheidsrecht strekt tot waarborg voor de voldoening van een schuld. Het is een
afhankelijk recht. Volstrekte zekerheidsrechten geven de gerechtigde een absoluut recht
(pand en hypotheek). Betrekkelijke zekerheidsrechten geven een persoonlijk recht. De
beperkt gerechtigde kan zijn recht ook tegen opvolgers van de hoofdgerechtigde onder
bijzondere titel uitoefenen, droit de suite. Er is ook sprake van een droit de préférence.
In het Romeins recht waren de dienstbaarheden (servitutes) verdeeld in persoonlijke en
zakelijk, de persoonlijke was het recht van vruchtgebruik, de zakelijke was de
erfdienstbaarheid. Wij kennen geen persoonlijke dienstbaarheden meer, servituut is nu
erfdienstbaarheid in het algemeen. Een erfdienstbaarheid op een eigen erf is niet mogelijk:
nulli res sua servit (het eigen erf dient aan niemand). Vereisten:
- Utilitas: het dienende erf komt het heersende ten nutte.
o Nutsvereiste
- Vicinitas: beide erven dienen in elkaars buurt te liggen, maar hoeven niet aan elkaar
te grenzen.
o Naburigheidsvereiste
- Causa perpetua: erfdienstbaarheid dient een blijvende oorzaak te hebben.
Het nutsvereiste, en dus ook het naburigheidsvereiste, wat in het nutsvereiste lag, zijn in het
huidige recht geschrapt.
Ontstaan:
- Landelijke erfdienstbaarheden ontstonden op dezelfde manier als waarop de
eigendom van een onroerende zaak was gevestigd, door mancipatio en in iure cessio.
o Mancipatio was een manier waarop res mancipi konden worden
overgedragen en werd afgeschaft door Justitianus.
o In iure cessio was een overdracht door een proces.
- De stedelijke erfdienstbaarheden werden niet als res mancipi beschouwd, zij konden
alleen ontstaan door in iure cessio.
- Toen deze wijzen niet meer werden gebruikt, was de traditio de enige wijze van
verkrijging. De tradens maakte de feitelijke uitoefening door verkrijger mogelijk en
liet dit toe.
- De praetor beschermde de langdurige feitelijke uitoefening, het bezit van de
erfdienstbaarheid, door een bezitsinterdict. Hiermee werd verkrijging door verjaring
mogelijk (door Justitianus mogelijk gemaakt).
Tenietgaan:
- Tenietgaan heersend of dienende erf
- Eenzijdige afstand door de eigenaar van het heersende erf
- Confusio (vermenging)
- Non usus: gedurende een zekere tijd wordt er geen gebruik gemaakt van het recht.
=geen bevrijdende verjaring: hierbij gaat slechts de actie teniet en blijft het recht
bestaan. Bij non-usus gaat recht teniet.
o Bestaat niet meer in huidig recht
De eigenaar van het heersende erf heeft een actie tegen de eigenaar van het dienende erf
en tegen iedere derde die hem in de uitoefening van zijn recht stoort: actio confessoria.