Seminar Grondslagen van Recht week 5
DE UITPRAAK
Een verdachte had tegen een parkeercontroleur geschreeuwd ‘Dan duw die teringbon er
maar onder vuile kankerzak’. Hij werd vervolgd en door de kantonrechter veroordeeld
wegens overtreding van art. 52 eerste lid, aanhef en sub a, van de APV van ’s
Hertogenbosch. Deze bepaling hield een verbod in om ‘op of aan de weg, dan wel elders op
een voor het publiek toegankelijke plaats, iemand uit te jouwen, na te schreeuwen, met
aanstootgevende taal lastig te vallen, al dan niet met een voorwerp hinderlijk aan te raken,
dan wel op andere wijze overlast aan te doen.’
De rechtbank vernietigde het vonnis van de kantonrechter (de tussen haakjes gegeven
letters zijn hier toegevoegd om de bespreking te vergemakkelijken):
‘Art. 7 lid 3 Gw bepaalt, dat voor het openbaren van gedachten of gevoelens door middel
van andere dan in de daaraan voorafgaande leden genoemde middelen niemand
voorafgaand verlof nodig heeft wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders
verantwoordelijkheid volgens de wet (G). Dit grondrecht beschermt in beginsel elke
openbaarmaking van een - meer of minder weloverwogen - gedachte of een gevoelen,
ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit (F). Het gebruik van
aanstootgevende taal kan - daargelaten uiteraard de waarde van dergelijke uitingen - in
beginsel ook als openbaarmaking van een gedachte of gevoelen aangemerkt worden (E).
Blijkens de zinsnede "behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet" mogen op het
recht in vrijheid de inhoud van de geopenbaarde gedachten en gevoelens te mogen bepalen,
alleen bij wet in formele zin beperkingen worden aangebracht (D). Mitsdien is art. 52 APV 's-
Hertogenbosch 1969 in strijd met art. 7 Gw en kan het niet in stand blijven (C). Gelet op het
vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat art. 52 eerste lid aanhef en sub a APV 's-
Hertogenbosch 1969 onverbindend is (B). Het bewezenverklaarde feit is derhalve niet
strafbaar (A), zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging (S).’
TER VOORBEREIDING
Hoofdstuk 4 en 5 uit Vaardigheden geven aanknopingspunten voor een beter begrip over
argumentatie en juridische argumentatie. Bestudeer deze hoofdstukken en beantwoord
vervolgens de hieronder opgenomen vragen ter voorbereiding van het seminar. De vragen
zelf komen op het seminar slechts zijdelings aanbod:
Studievragen - Vaardigheden 4 en 5
Vaardigheden 4
1. Wat wordt verstaan onder premissen? Argumenten, wanneer gebruik gemaakt wordt van
een deductieve argumentatie.
2. Kan een logisch geldige redenering onware premissen hebben en een ware conclusie? En
kunnen ware premissen een onware conclusie hebben? Een redenering is deductief geldig,
als de conclusie volgt uit de premissen, oftewel; als het ondenkbaar is dat de premissen
DE UITPRAAK
Een verdachte had tegen een parkeercontroleur geschreeuwd ‘Dan duw die teringbon er
maar onder vuile kankerzak’. Hij werd vervolgd en door de kantonrechter veroordeeld
wegens overtreding van art. 52 eerste lid, aanhef en sub a, van de APV van ’s
Hertogenbosch. Deze bepaling hield een verbod in om ‘op of aan de weg, dan wel elders op
een voor het publiek toegankelijke plaats, iemand uit te jouwen, na te schreeuwen, met
aanstootgevende taal lastig te vallen, al dan niet met een voorwerp hinderlijk aan te raken,
dan wel op andere wijze overlast aan te doen.’
De rechtbank vernietigde het vonnis van de kantonrechter (de tussen haakjes gegeven
letters zijn hier toegevoegd om de bespreking te vergemakkelijken):
‘Art. 7 lid 3 Gw bepaalt, dat voor het openbaren van gedachten of gevoelens door middel
van andere dan in de daaraan voorafgaande leden genoemde middelen niemand
voorafgaand verlof nodig heeft wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders
verantwoordelijkheid volgens de wet (G). Dit grondrecht beschermt in beginsel elke
openbaarmaking van een - meer of minder weloverwogen - gedachte of een gevoelen,
ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit (F). Het gebruik van
aanstootgevende taal kan - daargelaten uiteraard de waarde van dergelijke uitingen - in
beginsel ook als openbaarmaking van een gedachte of gevoelen aangemerkt worden (E).
Blijkens de zinsnede "behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet" mogen op het
recht in vrijheid de inhoud van de geopenbaarde gedachten en gevoelens te mogen bepalen,
alleen bij wet in formele zin beperkingen worden aangebracht (D). Mitsdien is art. 52 APV 's-
Hertogenbosch 1969 in strijd met art. 7 Gw en kan het niet in stand blijven (C). Gelet op het
vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat art. 52 eerste lid aanhef en sub a APV 's-
Hertogenbosch 1969 onverbindend is (B). Het bewezenverklaarde feit is derhalve niet
strafbaar (A), zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging (S).’
TER VOORBEREIDING
Hoofdstuk 4 en 5 uit Vaardigheden geven aanknopingspunten voor een beter begrip over
argumentatie en juridische argumentatie. Bestudeer deze hoofdstukken en beantwoord
vervolgens de hieronder opgenomen vragen ter voorbereiding van het seminar. De vragen
zelf komen op het seminar slechts zijdelings aanbod:
Studievragen - Vaardigheden 4 en 5
Vaardigheden 4
1. Wat wordt verstaan onder premissen? Argumenten, wanneer gebruik gemaakt wordt van
een deductieve argumentatie.
2. Kan een logisch geldige redenering onware premissen hebben en een ware conclusie? En
kunnen ware premissen een onware conclusie hebben? Een redenering is deductief geldig,
als de conclusie volgt uit de premissen, oftewel; als het ondenkbaar is dat de premissen