Schouder
Schouderklachten worden onderverdeeld in 3 typen:
1. Schouderklachten met passieve bewegingsbeperking
2. Schouderklachten zonder passieve bewegingsbeperking, met een pijnlijk
abductietraject
3. Schouderklachten zonder passieve bewegingsbeperking, zonder een pijnlijk
abductietraject
A. Onderzoekstechnieken naar de beweeglijkheid van het glenohumeraal gewricht
1. Abductie ROM vanuit scapulaire vlak
2. Horizontale adductietest (Stenvers’ 5e)
3. Posterieure jerk-test
4. Exorotatie ROM vanuit anatomische stand
5. Endorotatie ROM vanuit 90 graden abductie
6. Horizontale retroflexietest
B. Onderzoekstechnieken naar de scapulothoracale beweeglijkheid over de thorax
1. Axillaire haarlijn projectie (Stenvers’ 1e)
2. Claviculatest (Stenvers’ 2e)
3. Caudaal verplaatsing scapula) (Stenvers’ 3e)
4. CTO-rotatietest (Stenvers’ 4e)
Glenohumerale abductie
Meetprocedure passieve ROM abductie
De proefpersoon neemt plaats in zit, met de rechte rug en de
beide armen afhangend. De onderzoeker staat naast de
proefpersoon en plaatst zijn/haar hand ter fixatie op de
bovenzijde van de scapula tezamen met de clavicula.
De te onderzoeken arm wordt vervolgens in het scapulaire vlak
passief naar de maximale glenohumerale eindstand
toegebracht.
Indien de pijntolerantie van de cliënt dit toelaat, wordt
aanbevolen om gebruik te maken van hold-relax technieken
om de in vivo aanwezige spierspanning of stresstolerantie te
verminderen en de fysiologische eindgrens van het gewricht te
benaderen.
Bij gewrichtsuitslagen boven de 105 graden glenohumerale abductie kan worden
aangenomen dat er een bovenmatige laxiteit of verlies aan integriteit van het
inferieure gewrichtskapsel bestaat.