1.1 Atoom bestaat uit: protonen & neutronen = kern van atoom
- positief geladen protonen elektronen = bewegen in ’n wolk om de kern
- negatief geladen elektronen
- ongeladen neutronen
Belangrijke begrippen:
- het atoomnummer is gelijk aan het aantal protonen in de kern.
- het massagetal is gelijk aan de som van het aantal protonen en het aantal neutronen in de kern.
- de kernlading is positief gelijk aan het aantal protonen in de kern.
- de atomen zijn ongeladen; het aantal elektronen in de elektronenwolk is gelijk aan het aantal
protonen in de kern.
- een element is een stof die uit één soort atomen bestaat.
- ionen zijn geladen deeltjes die ontstaan doordat een atoom een of meer elektronen afstaat
(positief) of opneemt(negatief).
1.2 Isotopen
Atomen die behoren tot het zelfde element, hebben allemaal hetzelfde aantal protonen in de kern
(het aantal neutronen kan verschillen). atomen met hetzelfde aantal protonen maar met een
verschillend aantal neutronen noem je isotopen.
2.1 Bindingen tussen atomen
atomen kunnen onderling bindingen aangaan door het vormen van een of meer gemeenschappelijk
elektronenparen. De negatieve lading van de elektronenparen bevindt zich tussen de twee atomen
en trekt de positieve lading van de atoomkernen aan.
aantal elektronenparen dat een atoom kan vormen heet de covalentie.
2.2 Bindingen tussen niet-metaalatomen
als een molecuul wordt gevormd door twee dezelfde atomen, dan trekken die atomen allebei even
hard aan de elektronen van de binding. De negatieve lading van de twee elektronen houdt dan de
positieve atoomresten bij elkaar.
de mate waarin een atoom aan de gemeenschappelijke elektronen trekt noem je de
elektronegativiteit.
- als de binding een te sterk karakter heeft noem je dat polair
- verschil in elektronegativiteit tussen 0,5 en 1,6 polaire atoombinding
- verschil in elektronegativiteit onder de 0,5 apolaire atoombinding
Dipoolmolecuul = molecuul met een positieve en negatieve kant
2.3 Ionbindingen en metaalbindingen
Bij de ionbinding is het verschil in elektronegativiteit tussen de twee atomen groter dan 1,6.
De positief en negatief geladen ionentrekken elkaar sterk aan, de ionbinding is daarom ook een
sterke binding die moeilijk ‘loslaat’.
Metaalbinding een aantal elektronen van metaalatomen is min of meer vrij. In een metaal kunnen
zij vrij tussen de positive atoomresten door bewegen, de vrij elektronen houden de positief geladen
atoomresten van de metaalatomen bij elkaar. (sterke binding)