Samenvatting h1
PRAKTISCH GOEDERENRECHT 4E DRUK
, Hoofdstuk 1 basisbegrippen van het goederenrecht
1.1 goederen, zaken en vermogensrechten
Art 3:1 bw bepaalt dat goederen alle zaken en alle vermogensrechten zijn.
Hieruit kunnen we afleiden dat er twee soorten goederen zijn namelijk:
zaken en vermogensrechten.
Volgens art 3:2 bw zijn zaken ‘de voor menselijke beheersing vatbare
stoffelijke objecten.
Een zaak moet volgens dit artikel aan twee criteria voldoen.
1. voor menselijke beheersing vatbaar; wanneer we het kunnen
vastpakken en er macht of controle over kunnen uitoefenen
2. een stoffelijk object; een voorwerp dat uit een bepaald materiaal, een
bepaald stof bestaat.
Volgens art 3:2a lid 1 bw zijn dieren geen zaken. Ze zijn namelijk van vlees
en bloed. Uit lid 2 van dit artikel volgt echter dat regels met betrekking tot
zaken in beginsel ook op dieren van toepassing zijn.
Vermogensrechten worden omschreven in art 3:6 bw ‘Rechten die, hetzij
afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er
toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel
verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk
voordeel, zijn vermogensrechten’.
Een vermogensrecht is een recht met vermogenswaarde. Dat betekent:
een recht met een bepaalde waarde die in geld uit te drukken is. Art 3:6
bestaat eigenlijk uit drie belangrijke delen.
1. rechten die afzonderlijk of tezamen met een ander recht overdraagbaar
zijn; of
2. die ertoe strekken of rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen;
of
3. die verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld
stoffelijk voordeel
Er zijn drie verschillende categorieën vermogensrechten.
In de eerste plaats kan het gaan om rechten die overgedragen kunnen
worden. De oberdracht kan zowel zelfstandig plaatsvinden als tezamen
met een ander recht. Hiermee wordt bedoeld dat de eigenaar van een
bepaalde recht dit recht aan een ander mag overgeven.
De tweede zijn vermogensrechten rechten die erop gericht zijn de
rechthebbende, dit is meestal de eigenaar, stoffelijk voordeel te
verstrekken. Hierbij kun je denken aan het recht op smartengeld: dit is
erop gericht materieel voordeel te verschaffen aan de rechthebbende van
het recht.
Ten derde zijn vermogensrechten rechten die zijn verkregen in ruil voor
stoffelijk voordeel of in ruil voor toegezegd stoffelijk voordeel
1.2 roerende en onroerende zaken
Zaken kunnen worden verdeeld in roerende en onroerende zaken. In art
3:3 lid 1 BW worden onroerende zaken omschreven. Onroerende zaken
PRAKTISCH GOEDERENRECHT 4E DRUK
, Hoofdstuk 1 basisbegrippen van het goederenrecht
1.1 goederen, zaken en vermogensrechten
Art 3:1 bw bepaalt dat goederen alle zaken en alle vermogensrechten zijn.
Hieruit kunnen we afleiden dat er twee soorten goederen zijn namelijk:
zaken en vermogensrechten.
Volgens art 3:2 bw zijn zaken ‘de voor menselijke beheersing vatbare
stoffelijke objecten.
Een zaak moet volgens dit artikel aan twee criteria voldoen.
1. voor menselijke beheersing vatbaar; wanneer we het kunnen
vastpakken en er macht of controle over kunnen uitoefenen
2. een stoffelijk object; een voorwerp dat uit een bepaald materiaal, een
bepaald stof bestaat.
Volgens art 3:2a lid 1 bw zijn dieren geen zaken. Ze zijn namelijk van vlees
en bloed. Uit lid 2 van dit artikel volgt echter dat regels met betrekking tot
zaken in beginsel ook op dieren van toepassing zijn.
Vermogensrechten worden omschreven in art 3:6 bw ‘Rechten die, hetzij
afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er
toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel
verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk
voordeel, zijn vermogensrechten’.
Een vermogensrecht is een recht met vermogenswaarde. Dat betekent:
een recht met een bepaalde waarde die in geld uit te drukken is. Art 3:6
bestaat eigenlijk uit drie belangrijke delen.
1. rechten die afzonderlijk of tezamen met een ander recht overdraagbaar
zijn; of
2. die ertoe strekken of rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen;
of
3. die verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld
stoffelijk voordeel
Er zijn drie verschillende categorieën vermogensrechten.
In de eerste plaats kan het gaan om rechten die overgedragen kunnen
worden. De oberdracht kan zowel zelfstandig plaatsvinden als tezamen
met een ander recht. Hiermee wordt bedoeld dat de eigenaar van een
bepaalde recht dit recht aan een ander mag overgeven.
De tweede zijn vermogensrechten rechten die erop gericht zijn de
rechthebbende, dit is meestal de eigenaar, stoffelijk voordeel te
verstrekken. Hierbij kun je denken aan het recht op smartengeld: dit is
erop gericht materieel voordeel te verschaffen aan de rechthebbende van
het recht.
Ten derde zijn vermogensrechten rechten die zijn verkregen in ruil voor
stoffelijk voordeel of in ruil voor toegezegd stoffelijk voordeel
1.2 roerende en onroerende zaken
Zaken kunnen worden verdeeld in roerende en onroerende zaken. In art
3:3 lid 1 BW worden onroerende zaken omschreven. Onroerende zaken