Week 1.
Definitie afasie. Kenmerken van afasie op functieniveau. Syndromen.
1. Student kent de definitie van afasie van Bastiaanse (2010).
2. Student kent de symptomen van afasie op functieniveau en de afasiesyndromen.
3. Student beschrijft mogelijke gevolgen van afasie op alle domeinen van ICF.
Werkcollege 1 Afasie
Er zijn grofweg 4 hoofdsyndromen binnen de Afasie:
1. Globale afasie
Bij Globale afasie zijn alle taalmodaliteiten aangetast (schrijven, lezen, luisteren en spreken).
Bij de andere afasievormen zijn minder taalmodaliteiten aangetast. Je hebt vaak taal
automatismen, dus woorden die continu gebruikt worden maar niet gepast zijn op dat
moment.
2. Wernicke afasie
Fonematische parafasien (klankverwisselingen zoals hand-land),
Neologismen (andere woorden gebruiken, vaak nonsenswoorden zoals “ik zit op de loets
i.p.v . “ik zit op de stoel”)
Para grammatisch (veel vervoegingen, veel functiewoorden en werkwoorden die onjuist
gebruikt worden)
Veel grammaticaal niet-correcte zinnen
Ze kunnen anderen niet goed begrijpen maar anderen hun ook niet.
Veel lange zinnen, ze praten continu door, maar grammaticaal niet correct.
Slecht fouten inzicht, dus zij horen hun fouten niet
Empty speech
3. Broca afasie
Telegramstijl
Taalbegrip is gewoon goed
Vaak cognitief goed inzicht, zij zijn zich bewust van hun fouten
Woordvindingsproblemen
Veel inhoudswoorden, weinig functiewoorden waardoor de begrijpelijkheid redelijk goed
kan zijn
Moeite met juiste articulatietechnieken zoeken (apraxie)
4. Amnestische afasie
Empty speech (kan zijn dat er lange zinnen komen met veel functiewoorden maar weinig
inhoudswoorden, omdat je niet weet wat er gezegd is kun je het lege spraak noemen)
Hard op en begrijpend lezen gaat prima
Bij schrijven hebben ze lastig van woordvindingsproblemen
Trage twijfelige spraak met veel herhalingen
Rangschikking van vloeiendheid