Oefenvragen onderzoeksvaardigheden
en communicatieve vaardigheden
Vraag 1: Koppel de juiste omschrijving aan het juiste onderzoek:
Omschrijvingen:
1. De samenhang tussen verschijnselen wordt vastgesteld.
2. Hoe beleven verpleegkundigen suïcidaliteit en de omgang met suïcidale patiënten?
3. Wordt soms een hypothese gebruikt.
4. Schriftelijke vragenlijst.
5. De hypothese daarbij was dat frequenter aanleggen asymptomatische neonatale
hypoglykemie kan opheffen, zonder borstvoeding in gevaar te brengen.
6. Experimenteel: 1 variabele wordt gemanipuleerd.
7. Gaat om meten, tellen en verbanden zetten.
8. Kan foetale blootstelling aan tabaksrook leiden tot vaatwandschade op jong
volwassenleeftijd?
9. Ook wel cross-sectioneel of dwarsdoorsnede genoemd.
10. Mate waarin bepaalde verschijnselen voorkomen.
11. Het gaat om 1 momentopname.
12. Het gaat om meerdere meetmomenten.
13. Hoeveel suïcidepogingen worden behandeld in Nederlandse ziekenhuizen (SEH en opname)?
14. Onderzoeker heeft de keuze uit kwalitatief en kwantitatief onderzoek.
15. Gaat om de beschrijvende aard der dingen of over structuren tussen de verschijnselen.
16. Onderzoeksproblemen die gericht zijn op de mate waarin verschijnselen vooromen en/of de
mate waarin zij onderling met elkaar samenhangen.
17. Onderzoeker wil aantonen dat een bepaald theorie onjuist is. Lukt dit niet dan wordt de
uitspraak voor waar gehouden.
18. Kan gescheiden worden in experimenteel en niet experimenteel.
19. Onderzoeker wil voorspellen of iets al dan niet gaat plaatsvinden.
Kies uit: longitudinaal onderzoek, transversaal onderzoek, beschrijvend onderzoek, toetsend
onderzoek, kwalitatief onderzoek, resumerend onderzoek, voorspellend onderzoek, verklarend
onderzoek en kwantitatief onderzoek.
Vraag 2: Koppel de juiste omschrijving aan het juist woord:
A. Onderzoeker en persoon weten beide niet in welke groep de persoon komt.
B. De keuze om al dan niet in de controlegroep of interventiegroep te komen. Dit wordt random
bepaald.
C. De persoon die aan het onderzoek deelneemt, weet niet welke interventie bij hem/haar wordt
toegepast.
D. Iets moet aan eisen voldaan worden.
E. Meet je wat je wil meten
Kies uit: Generaliseerbaar, dubbelblind, blindering, validiteit, randomisering.
Vraag 3: koppel de juiste omschrijving aan het juiste woord:
1. De oude en nieuwe gegevens moeten gelijk zijn.
2. Selecteren van onderzoekseenheden.
3. De theorie wordt gecontroleerd.
4. Iedere mogelijke stap in het onderzoek die kan leiden tot het trekken van juiste conclusies.
Wordt ook wel vertekening genoemd.
5. Verstoorde variabelen in het spel.
6. Gebeurd door het bepalen van de interne consistentie of doormiddel van de test hertest.
7. In beide groepen mensen zoeken die gelijke kenmerken hebben.
8. Experts beoordelen of het instrument kan meten wat gemeten moet worden.
9. Een test wordt 2 keer afgenomen en de bevindingen worden met elkaar vergeleken.
en communicatieve vaardigheden
Vraag 1: Koppel de juiste omschrijving aan het juiste onderzoek:
Omschrijvingen:
1. De samenhang tussen verschijnselen wordt vastgesteld.
2. Hoe beleven verpleegkundigen suïcidaliteit en de omgang met suïcidale patiënten?
3. Wordt soms een hypothese gebruikt.
4. Schriftelijke vragenlijst.
5. De hypothese daarbij was dat frequenter aanleggen asymptomatische neonatale
hypoglykemie kan opheffen, zonder borstvoeding in gevaar te brengen.
6. Experimenteel: 1 variabele wordt gemanipuleerd.
7. Gaat om meten, tellen en verbanden zetten.
8. Kan foetale blootstelling aan tabaksrook leiden tot vaatwandschade op jong
volwassenleeftijd?
9. Ook wel cross-sectioneel of dwarsdoorsnede genoemd.
10. Mate waarin bepaalde verschijnselen voorkomen.
11. Het gaat om 1 momentopname.
12. Het gaat om meerdere meetmomenten.
13. Hoeveel suïcidepogingen worden behandeld in Nederlandse ziekenhuizen (SEH en opname)?
14. Onderzoeker heeft de keuze uit kwalitatief en kwantitatief onderzoek.
15. Gaat om de beschrijvende aard der dingen of over structuren tussen de verschijnselen.
16. Onderzoeksproblemen die gericht zijn op de mate waarin verschijnselen vooromen en/of de
mate waarin zij onderling met elkaar samenhangen.
17. Onderzoeker wil aantonen dat een bepaald theorie onjuist is. Lukt dit niet dan wordt de
uitspraak voor waar gehouden.
18. Kan gescheiden worden in experimenteel en niet experimenteel.
19. Onderzoeker wil voorspellen of iets al dan niet gaat plaatsvinden.
Kies uit: longitudinaal onderzoek, transversaal onderzoek, beschrijvend onderzoek, toetsend
onderzoek, kwalitatief onderzoek, resumerend onderzoek, voorspellend onderzoek, verklarend
onderzoek en kwantitatief onderzoek.
Vraag 2: Koppel de juiste omschrijving aan het juist woord:
A. Onderzoeker en persoon weten beide niet in welke groep de persoon komt.
B. De keuze om al dan niet in de controlegroep of interventiegroep te komen. Dit wordt random
bepaald.
C. De persoon die aan het onderzoek deelneemt, weet niet welke interventie bij hem/haar wordt
toegepast.
D. Iets moet aan eisen voldaan worden.
E. Meet je wat je wil meten
Kies uit: Generaliseerbaar, dubbelblind, blindering, validiteit, randomisering.
Vraag 3: koppel de juiste omschrijving aan het juiste woord:
1. De oude en nieuwe gegevens moeten gelijk zijn.
2. Selecteren van onderzoekseenheden.
3. De theorie wordt gecontroleerd.
4. Iedere mogelijke stap in het onderzoek die kan leiden tot het trekken van juiste conclusies.
Wordt ook wel vertekening genoemd.
5. Verstoorde variabelen in het spel.
6. Gebeurd door het bepalen van de interne consistentie of doormiddel van de test hertest.
7. In beide groepen mensen zoeken die gelijke kenmerken hebben.
8. Experts beoordelen of het instrument kan meten wat gemeten moet worden.
9. Een test wordt 2 keer afgenomen en de bevindingen worden met elkaar vergeleken.