Humorale
immuniteit
Humorale
immuniteit
is
gericht
tegen
extracellulaire
micro-‐organismen
en
antilichamen
zijn
de
effectormoleculen.
Humorale
immuniteit
=
B-‐cellen
en
antilichamen
Cellulaire
immuniteit
=
T-‐cellen
IgE
zie
je
bij
allergie
+
parasitaire
infecties.
IgD
zie
je
alleen
bij
een
niet-‐volwassen
B-‐cel
(voorstadium
van
antilichaam)
IgM
en
IgG
zie
je
voornamelijk
in
de
circulatie,
dat
zijn
de
primaire
antilichamen
die
infectie
kunnen
voorkomen.
IgA
zie
je
met
name
mucosale
immunologie.
IgG
en
IgE
zijn
monomeren;
IgA
is
een
pentameer;
IgM
is
een
polymeer.
Het
antigeenbindende
deel
is
het
Fab
gedeelte,
het
zware
deel
bepaalt
het
isotype.
Het
variabele
gedeelte
op
de
zware
keten
is
de
plek
waarbij
het
antigeen
aan
het
antilichaam
bindt,
dat
is
het
deel
wat
specifiek
is.
De
hinge-‐region
is
belangrijk
voor
de
beweging
van
de
‘kop’,,
dat
bepaalt
hoe
flexibel
zo’n
kop
kan
bewegen.
De
hypervariabele
gebieden
van
de
zware
en
lichte
keten
zijn
de
feitelijk
antigeenbindingsplaatsen
van
het
antilichaam:
CDR1,
CDR2
en
CDR3.
de
bindingskracht
van
antilichamen
is
de
som
van
affiniteit
(interactie
1
fab
+
epitoop)
en
aviditeit
(meerdere
antilichamen
op
gehele
antigen).
Affiniteit:
interactie
van
één
antilichaam
met
het
fab
gedeelte
met
een
epitoop
aviditeit:
mix
van
verschillende
soorten
antilichamen
en
een
antigeen,
meerdere
antilichamen
kunnen
aan
hetzelfde
antigeen
binden,
dan
is
er
sprake
van
een
hoge
aviditeit.
Op
het
moment
dat
er
maar
een
antilichaam
bindt,
is
er
lage
aviditeit.
B-‐celreceptor
kan
3D-‐epitopen,
ook
wel
conformatie
epitopen,
herkennen.
T-‐cellen
kunnen
eigenlijk
alleen
lineaire
epitopen
herkennen.
Antilichamen
herkennen
lineaire
of
conformatie
epitopen
op
macromoleculen,
dus
beide.
immuniteit
Humorale
immuniteit
is
gericht
tegen
extracellulaire
micro-‐organismen
en
antilichamen
zijn
de
effectormoleculen.
Humorale
immuniteit
=
B-‐cellen
en
antilichamen
Cellulaire
immuniteit
=
T-‐cellen
IgE
zie
je
bij
allergie
+
parasitaire
infecties.
IgD
zie
je
alleen
bij
een
niet-‐volwassen
B-‐cel
(voorstadium
van
antilichaam)
IgM
en
IgG
zie
je
voornamelijk
in
de
circulatie,
dat
zijn
de
primaire
antilichamen
die
infectie
kunnen
voorkomen.
IgA
zie
je
met
name
mucosale
immunologie.
IgG
en
IgE
zijn
monomeren;
IgA
is
een
pentameer;
IgM
is
een
polymeer.
Het
antigeenbindende
deel
is
het
Fab
gedeelte,
het
zware
deel
bepaalt
het
isotype.
Het
variabele
gedeelte
op
de
zware
keten
is
de
plek
waarbij
het
antigeen
aan
het
antilichaam
bindt,
dat
is
het
deel
wat
specifiek
is.
De
hinge-‐region
is
belangrijk
voor
de
beweging
van
de
‘kop’,,
dat
bepaalt
hoe
flexibel
zo’n
kop
kan
bewegen.
De
hypervariabele
gebieden
van
de
zware
en
lichte
keten
zijn
de
feitelijk
antigeenbindingsplaatsen
van
het
antilichaam:
CDR1,
CDR2
en
CDR3.
de
bindingskracht
van
antilichamen
is
de
som
van
affiniteit
(interactie
1
fab
+
epitoop)
en
aviditeit
(meerdere
antilichamen
op
gehele
antigen).
Affiniteit:
interactie
van
één
antilichaam
met
het
fab
gedeelte
met
een
epitoop
aviditeit:
mix
van
verschillende
soorten
antilichamen
en
een
antigeen,
meerdere
antilichamen
kunnen
aan
hetzelfde
antigeen
binden,
dan
is
er
sprake
van
een
hoge
aviditeit.
Op
het
moment
dat
er
maar
een
antilichaam
bindt,
is
er
lage
aviditeit.
B-‐celreceptor
kan
3D-‐epitopen,
ook
wel
conformatie
epitopen,
herkennen.
T-‐cellen
kunnen
eigenlijk
alleen
lineaire
epitopen
herkennen.
Antilichamen
herkennen
lineaire
of
conformatie
epitopen
op
macromoleculen,
dus
beide.