SE-ontwikkeling
College 1
1. Welke fase van groepsvorming verandert/vermindert wanneer de groepsvorming
begeleid wordt (door bijvoorbeeld een leerkracht) en waarom?
Storming, omdat met begeleiding de fase norming al voor de storming plaatsvindt zijn de normen door de
leerkracht samen met de groep al vastgesteld. Het bepalen van posities in de klas is daarom in mindere mate
mogelijk.
2. Noem 3 uitgangspunten van handelingsgericht werken
1. De onderwijsbehoefte van de leerling staat centraal
2. Afstemming en wisselwerking
3. De leraar maakt het verschil
4. Positieve aspecten zijn van groot belang
5. Constructieve samenwerking
6. Doelgerichte werkwijze
7. Stapsgewijze, transparante en systematische werkwijze
3. Uit welke twee onderdelen bestaat de sociale competentie en hoe wordt deze
opgebouwd?
Goed omgaan met anderen + oplossen van problemen. Dit behoeft sociale vaardigheden die in de klas worden
beoefend, denk aan: relaties met anderen opbouwen, anderen aanvoelen, beheersen van emoties en het
respecteren van regels.
4. Hoe wordt er bij de kleuters aandacht besteed aan zelfconcept?
Beeldvorming van uiterlijk van jezelf en anderen. Creëren van een accepterende houding en schoonheid van
overeenkomsten en verschillen tussen elkaar.
College 3
5. Welk risico speelt er bij populaire leerlingen?
Populaire leerlingen maken veel contact met leeftijdsgenoten waardoor ze soms foute vrienden krijgen. Dit
brengt hen in aanraking met criminaliteit en verslaving. Populariteit kan ook agressief tot stand komen.
6. Wat is het verschil tussen een intellectuele en een organisatorische leider?
Een intellectuele leider beschikt over kennis en lost problemen op. Een organisatorische leider richt zich op
cohesie en onderlinge samenwerking.
7. Welke twee vaardigheden zijn bij afgewezen kinderen vaak minder goed ontwikkeld?
Informatieverwerking (inschatten en reageren op gedrag) en emotieregulatie
8. Aan welke 3 criteria voldoet een goed antipestprogramma?
- Programma is theoretisch goed onderbouwd
, - Programma is empirisch adequaat onderbouwd (passend uit ervaring)
- Randvoorwaarden voor uitvoering zijn duidelijk beschreven
College 4
9. Waarvan is altijd sprake bij pesten tussen een gepeste leerling en de dader?
Er is altijd sprake van een verschil in machtsverhouding
10. Welke nadelige eigenschappen heeft cyberpesten boven normaal pesten?
Cyberpesten kan anoniem, is zichtbaar voor de hele wereld en kan 24/7 doorgaan.
11. Welke twee voordelen zijn er aan pesten verbonden voor pesters?
Status en affectie. Door afgewezen kinderen te pesten word je zelf niet afgewezen. Pesters worden door
sommigen stoer gevonden en sluiten daarom vriendschappen met een pester.
12. Welke drie leerkrachtfactoren van een leerkracht kunnen een risico op pesten
verhogen?
Een leerkracht die autoritair is, leerlingen raken gefrustreerd door weinig inbreng en reageren dit af.
Leerkracht is prestatiegericht waardoor er geen oog is voor de sociaal-emotionele verhoudingen in de klas.
Leerkracht heeft sympathie voor de populaire leerling waardoor de gepeste leerling zich niet gehoord voelt.
Observeren
College 2
13. Bij welke fase wordt de overgang gemaakt van een naturalistische naar een
gestructureerde observatie?
In fase 3, de Selective phase, wordt er gebruik gemaakt van een gestructureerde observatie. Hierbij is een
smallere focus en meer verdieping.
14. Waarom zijn de selectiviteit en subjectiviteit van de observator zo belangrijk?
Selectiviteit is datgene dat jij als waarnemer ziet en subjectiviteit is het effect van je achtergrond op de manier
waarop je iets ziet. Deze twee begrippen zijn belangrijk omdat ze sterk bepalen op welke manier waargenomen
wordt.
15. Observer expectancy en observer drift kunnen de betrouwbaarheid van een
observatie in gevaar brengen. Wat betekenen deze begrippen?
Bij de observer expectancy wordt de waarneming van de observator beinvloedt omdat hij/zij de hypothese al
kent. Dit zorgt ervoor dat je soms dingen zwaarder interpreteert dan werkelijk zo is. Bij de observer drift
verschuift het criteria van de observator tijdens de observatie. Hierbij worden aannames gedaan over het
gedrag in andere situaties.
16. Welke twee factoren maken de kans op observer expectancy en observer drift
kleiner?
Professionele ervaring en duidelijke afspraken