HOGESCHOOLTAAL 3F/4F
ALGEMEEN TAALGEBRUIK
TAALKWESTIES
Dan ik of dan mij:
De voegwoorden van vergelijking als en dan staan in veel gevallen voor een zelfstandig
naamwoord. De voegwoorden kunnen ook voor een persoonlijk voornaamwoord staan.
- Ik was er vanochtend eerder dan jij.
- Sophie typt sneller dan ik.
Om de juiste vorm te kunnen noteren, kun je er het beste een werkwoord achter zetten. Dan
heb je de correcte schrijfwijze.
Hun of zij:
In het Nederlands gebruik je de derde persoon bijvoorbeeld als je het over iemand hebt. Je
kan dan zeggen zij of hun.
- Zij wordt ook wel een onderwerpsvorm genoemd.
- Hun is een niet-onderwerpsvorm. Dit betekent dat je hun gebruikt als het een
meewerkend voorwerp is.
Niet Hun hebben cadeautjes gekocht.
Wel Zij hebben cadeautjes gekocht.
Dat, wat of die:
Dat, wat en die zijn betrekkelijke voornaamwoorden. Dit betekent dat ze naar iets verwijzen.
Met dat verwijzen we naar zelfstandige naamwoorden die voorafgegaan worden door het
lidwoord ‘het’.
- Het huis dat vrijstaand is.
Wat moet in de volgende gevallen worden gebruikt:
- Als het verwijst naar een hele zin;
- Als het verwijst naar iets wat niet genoemd mag worden;
- Als het verwijst naar dit, dat en datgene
Wat en dat kunnen in de volgende gevallen beide gebruikt worden:
- Als het verwijst naar een onbepaald voornaamwoord (in combinatie met een
bijvoeglijk naamwoord) zoals: iets, niets, alles, iets belangrijks
- Als het verwijst naar een algemene aanduiding of hoedanigheid, zoals: het ergste, het
mooie, het grootste, het vele, het leuke, weinig, veel
, Met die verwijzen we naar zelfstandige naamwoorden die voorafgegaan worden door het
lidwoord ‘de’.
- De kat die daar ligt.
Jou of jouw:
Jou is een persoonlijk voornaamwoord.
- Ze heeft het jou beloofd.
Jouw is een bezittelijk voornaamwoord.
- Dit is voortaan jouw eigendom.
Bij twijfel kun je jou/jouw vervangen door ‘hem’ en ‘zijn’. Hoor jou ‘zijn’ dan is het jouw, een
bezittelijk voornaamwoord. Hoor je ‘hem’ dan is het een persoonlijk voornaamwoord.
Als of dan:
Als gebruik je:
- Na een vergelijking,
Het gebouw is even hoog als die boom.
- Na het woordje ‘zo’.
De vraag was driemaal zo groot als het aanbod.
Dan gebruik je:
- Na een vergrotende trap.
Ze verdiende meer dan haar man.
- Na het woordje anders.
Het karakter van Sophie was heel anders dan van haar zus.
Grootte of grote:
Grootte is een zelfstandig naamwoord. De timmerman meet de grootte van de kast.
Grote is een verbogen vorm van het bijvoeglijk naamwoord groot.
Beide of beiden:
Onbepaalde voornaamwoorden zijn woorden als: andere(n), beide(n), sommige(n) en
vele(n). Deze woorden kunnen op 2 manieren worden geschreven, met of zonder
meervouds -n.
- Wel een meervouds -n: verwijzing naar personen en zelfstandig gebruikt.
Slechts enkelen waren bereid hard te werken.
- Geen meervouds -n: verwijzing naar personen en niet-zelfstandig gebruikt.
Sommige mensen wilden blijven, andere wilden met ons mee.
Verwijzing naar niet-personen (dus planten, dieren of dingen).
Sommige bleven in hun kooi wachten tot hun baasje kwam.
Te danken aan of te wijten aan:
Te danken aan gebruiken we:
- Als we iets positiefs bedoelen
- Als we respect voor iets of iemand willen tonen
- Als we een reden geven voor een mooi resultaat
ALGEMEEN TAALGEBRUIK
TAALKWESTIES
Dan ik of dan mij:
De voegwoorden van vergelijking als en dan staan in veel gevallen voor een zelfstandig
naamwoord. De voegwoorden kunnen ook voor een persoonlijk voornaamwoord staan.
- Ik was er vanochtend eerder dan jij.
- Sophie typt sneller dan ik.
Om de juiste vorm te kunnen noteren, kun je er het beste een werkwoord achter zetten. Dan
heb je de correcte schrijfwijze.
Hun of zij:
In het Nederlands gebruik je de derde persoon bijvoorbeeld als je het over iemand hebt. Je
kan dan zeggen zij of hun.
- Zij wordt ook wel een onderwerpsvorm genoemd.
- Hun is een niet-onderwerpsvorm. Dit betekent dat je hun gebruikt als het een
meewerkend voorwerp is.
Niet Hun hebben cadeautjes gekocht.
Wel Zij hebben cadeautjes gekocht.
Dat, wat of die:
Dat, wat en die zijn betrekkelijke voornaamwoorden. Dit betekent dat ze naar iets verwijzen.
Met dat verwijzen we naar zelfstandige naamwoorden die voorafgegaan worden door het
lidwoord ‘het’.
- Het huis dat vrijstaand is.
Wat moet in de volgende gevallen worden gebruikt:
- Als het verwijst naar een hele zin;
- Als het verwijst naar iets wat niet genoemd mag worden;
- Als het verwijst naar dit, dat en datgene
Wat en dat kunnen in de volgende gevallen beide gebruikt worden:
- Als het verwijst naar een onbepaald voornaamwoord (in combinatie met een
bijvoeglijk naamwoord) zoals: iets, niets, alles, iets belangrijks
- Als het verwijst naar een algemene aanduiding of hoedanigheid, zoals: het ergste, het
mooie, het grootste, het vele, het leuke, weinig, veel
, Met die verwijzen we naar zelfstandige naamwoorden die voorafgegaan worden door het
lidwoord ‘de’.
- De kat die daar ligt.
Jou of jouw:
Jou is een persoonlijk voornaamwoord.
- Ze heeft het jou beloofd.
Jouw is een bezittelijk voornaamwoord.
- Dit is voortaan jouw eigendom.
Bij twijfel kun je jou/jouw vervangen door ‘hem’ en ‘zijn’. Hoor jou ‘zijn’ dan is het jouw, een
bezittelijk voornaamwoord. Hoor je ‘hem’ dan is het een persoonlijk voornaamwoord.
Als of dan:
Als gebruik je:
- Na een vergelijking,
Het gebouw is even hoog als die boom.
- Na het woordje ‘zo’.
De vraag was driemaal zo groot als het aanbod.
Dan gebruik je:
- Na een vergrotende trap.
Ze verdiende meer dan haar man.
- Na het woordje anders.
Het karakter van Sophie was heel anders dan van haar zus.
Grootte of grote:
Grootte is een zelfstandig naamwoord. De timmerman meet de grootte van de kast.
Grote is een verbogen vorm van het bijvoeglijk naamwoord groot.
Beide of beiden:
Onbepaalde voornaamwoorden zijn woorden als: andere(n), beide(n), sommige(n) en
vele(n). Deze woorden kunnen op 2 manieren worden geschreven, met of zonder
meervouds -n.
- Wel een meervouds -n: verwijzing naar personen en zelfstandig gebruikt.
Slechts enkelen waren bereid hard te werken.
- Geen meervouds -n: verwijzing naar personen en niet-zelfstandig gebruikt.
Sommige mensen wilden blijven, andere wilden met ons mee.
Verwijzing naar niet-personen (dus planten, dieren of dingen).
Sommige bleven in hun kooi wachten tot hun baasje kwam.
Te danken aan of te wijten aan:
Te danken aan gebruiken we:
- Als we iets positiefs bedoelen
- Als we respect voor iets of iemand willen tonen
- Als we een reden geven voor een mooi resultaat