7.1
Chronische aandoeningen hebben vrijwel altijd ingrijpende gevolgen voor iemands bestaan.
Gevoelens van ontreddering, onzekerheid, angst, schaamte en schuld komen voor. Ook
ontkenning, opstandigheid, verdriet en neerslachtigheid horen bij het verwerkingsproces.
In de beginfase worstelt de zorgvrager met allerlei vragen. Onzekerheid treedt vaal al op bij
de eerste symptomen van wat later een chronisch iets blijkt te zijn.
Er zijn 3 veelvoorkomende angstgevoelens:
o angst voor de reactie van anderen
o angst voor de behandeling/medicijnen
o angst voor de toekomst.
Iemand die chronisch ziek is heeft vaak last van schaamte en schuldgevoelens. Men
schaamt zich om ziek te zijn- om af te wijken van de rest. De gezonde schaamt zich ook wel
voor zijn gezond zijn en voelt zich daarom machteloos. Ontkenning is een manier om te
voorkomen dat het hele leven door de chronische ziekte wordt bepaald.
Opstandigheid steekt vooral op tijdens veranderingen in het ziekteverloop. Het kan naar
‘binnen’ en ‘buiten’ gericht zijn.
Een ziekte of handicap kan het zelfbeeld beïnvloeden. Het kan aanvoelen als een verlies van
fysieke aantrekkelijkheid, eigenwaarde en zelfvertrouwen. Het kan ook tot (gedeeltelijke)
arbeidsongeschiktheid leiden. Ook hobby’s uitvoeren kan lastig zijn en hetzelfde geldt voor
het onderhouden van sociale contacten.
Het is belangrijk dat mensen op een actieve manier met hun ziekte of handicap omgaan. Ze
moeten zich daarbij vooral richten op dingen die wel mogelijk zijn. Leven met een chronische
aandoening betekent beslist niet alleen kommer en kwel. Voor veel mensen is het
verwerkingsproces ook een leerproces dat ze sterker maakt.
Wanneer iemand een chronische ziekte of lichamelijke handicap heeft, zal in het begin al zijn
aandacht richten op de ziekte zelf en op het leren van nieuwe vaardigheden. Daarna komt
verwerken. Het is belangrijk dat je als verzorgende ervoor zorgt dat je het proces van
acceptatie van een zorgvrager niet verstoort.
Bij het begeleiden van rouwverwerking kom je als verzorgende ook vaak gevoelens van
depressiviteit tegen. Het is belangrijk dat je als verzorgende iemand die depressief is
voorzichtig probeert te stimuleren. Je kunt naar de zorgvrager luisteren en hem stap voor
stap proberen te activeren.
Als je je eigenlijk niet kunt voorstellen hoe de zorgvrager zich voelt, moet je dit erkennen. Dit
is een van de belangrijkste dingen bij het geven van steun.
7.2
Er is in de samenleving een scherpte tweedeling tussen zieken en gezonden. Mensen met
een chronische aandoening worden soms op een vervelende manier bejegend (betuttelend,
weinig serieus genomen). Ze willen vooral als ‘normaal’ mens behandeld worden en
erkenning voor datgene dat ze wel kunnen doen.
Handicaps en chronische ziekten dwingen mensen vaak in een andere sociale rol. Wanneer
een bepaalde ziekte progressief is, kan de afhankelijkheid toenemen. Hierdoor krijgen veel
mensen het gevoel dat ze ten opzichte van hun partner en kinderen tekortschieten. Als één
van de twee partners een chronische ziekte of handicap krijgt, kan dit gevolgen hebben voor
hun relatie. Voor veel huishoudens, waar iemand met een chronische deel van uitmaakt, is
de financiële situatie een bron van spanning.
, 7.3
Door de manier van omgaan met veranderingen bij een zorgvrager en het herkennen
hiervan, kun je als zorgverlener sneller en beter ondersteuning te bieden. Of een zorgvrager
een verandering als stressvol beoordeelt, hangt ook af van:
o zelfbeeld van de zorgvrager
o gestelde eisen door de omgeving
o controle van de zorgvrager over zijn situatie.
Observeer deze bovenstaande zaken als zorgverlener zijnde.
De manier waarop mensen omgaan met problemen heet coping. De manier waarop men als
deze gebeurtenissen een plaats geeft heet copingsstijl.
Bij veranderingen in het leven van mensen zijn er 2 soorten copingsstijlen te herkennen:
o bij emotiegerichte proberen mensen hun emoties onder controle te houden
o bij probleemgerichte proberen mensen problemen direct op te lossen.
Om een zorgvrager te kunnen begeleiden bij veranderingen is het noodzakelijk de
copingsstijl te observeren. Zo kun je jouw benadering en communicatie afstemmen op de
zorgvrager.
Welke factoren kunnen effectieve coping belemmeren?
Als een zorgvrager geen manier vindt om zich aan te passen aan de gevolgen van zijn
ziekte, beperking of handicap is er sprake van ineffectieve coping. De manier waarop de
zorgvrager over zijn situatie denkt beïnvloedt copinggedrag. Sta als verzorgende stil bij de
volgende vragen:
o hoe denkt de zorgvrager over zijn situatie?
o hoe reageert de zorgvrager?
o hoe voelt hij zich?
o welke gedachten bevorderen en welke zijn belemmerend voor goede coping?
7.4
Door een chronische ziekte kan een zorgvrager te maken krijgen met kleine of grote
beperkingen in zijn leven. De zorgvrager moet een nieuwe levensstijl zoeken. Als je meer
weet van de verschillende manieren waarop mensen omgaan met stress en problemen, kun
je as verzorgende beter aansluiten bij de belevingswereld van de zorgvrager. Bij
ondersteuning en advisering spelen motivering en gesprekstechnische vaardigheden een
belangrijke rol.
De manier waarop iemand omgaat met veranderingen in zijn leven heeft te maken met een
aantal factoren:
o leeftijd
o karakter
o reactie uit de omgeving
o godsdienst/levensbeschouwing
o levensloop.
Chronisch zieken die beperkt zijn in hun dagelijks leven en te maken hebben met
veranderingen in hun levenswijze, hebben een sterkte motivatie nodig om zich actief aan te
passen aan de nieuwe situatie. Bij intrinsieke motivatie gaat het om motivatie vanuit de
persoon zelf. Wanneer we zien dat iemand erg zijn best doet bij het uitvoeren van een
bepaalde taak en we weten dat hij hiervoor door iets of iemand uit de omgeving wordt
beloond dan is er sprake van externe of extrinsieke motivatie.