Paragraaf 7 spanning blz. 30
- Spanning is willen weten hoe het verder gaat.
- Identificatie = startpunt van de spanning.
➔ Je kunt je inleven met het personage.
- Emotionele spanning = lezer/kijker weet meer dan de personage.
- Intellectuele spanning = lezer weet minder of evenveel als de personage.
Paragraaf 8 perspectief blz. 34
- 3 soorten:
1. Ik-verteller = (ik-figuur) 1 kant van het verhaal: ik. Meerdere ik-vorm → meervoudig perspectief.
2. De personale verteller = (hij-/zij-figuur) personage die alleen inzicht in zijn/haar eigen belevingswereld.
3. De auctoriale verteller = (meerdere vertellers). - Speelt niet mee - alwetend - geen personage.
Paragraaf 22 Tijd bladzijde 90
Verteltijd en vertelde tijd:
- Verteltijd = woorden, zinnen, bladzijden.
- Versnelling = Als je een gebeurtenis kort opschrijft.
- Vertelde tijd = tijdsperiode (bijvoorbeeld 2 jaar)
- Vertraging = Als je een gebeurtenis lang opschrijft.
Paragraaf 23 Ruimte bladzijde 94 → Alleen doornemen
Paragraaf 37 plot bladzijde 150
- Begin, verloop en einde van wat personage meemaakt: Plot.
Springen tussen verhaallijnen:
- Schrijver springt op een spannend moment naar een ander personage
Afkappen de verhaallijn:
- Cliffhanger: serie stoppen op het spannendste moment. Schrijvers doen dit ook.
Plotwindingen:
- Je denkt te weten hoe het verhaal verder gaat, maar het blijkt anders.
Paragraaf 38 motief bladzijde 154
- 3 soorten:
1. Abstracte motieven: 1. Klein thema 2. Bedrog, eenzaamheid, schuld, angst.
2. Leidmotieven: 1. Concreet, tastbaar terugkerend element. 2. Symbolische functie.
3. Klassieke motieven: 1. Ontleend aan klassieke of Bijbelse verhalen. 2. Thematische gelijkenis tussen het
verhaal en klassiek verhaal. 3. Helpt bij het duiden betekenis.
- Spanning is willen weten hoe het verder gaat.
- Identificatie = startpunt van de spanning.
➔ Je kunt je inleven met het personage.
- Emotionele spanning = lezer/kijker weet meer dan de personage.
- Intellectuele spanning = lezer weet minder of evenveel als de personage.
Paragraaf 8 perspectief blz. 34
- 3 soorten:
1. Ik-verteller = (ik-figuur) 1 kant van het verhaal: ik. Meerdere ik-vorm → meervoudig perspectief.
2. De personale verteller = (hij-/zij-figuur) personage die alleen inzicht in zijn/haar eigen belevingswereld.
3. De auctoriale verteller = (meerdere vertellers). - Speelt niet mee - alwetend - geen personage.
Paragraaf 22 Tijd bladzijde 90
Verteltijd en vertelde tijd:
- Verteltijd = woorden, zinnen, bladzijden.
- Versnelling = Als je een gebeurtenis kort opschrijft.
- Vertelde tijd = tijdsperiode (bijvoorbeeld 2 jaar)
- Vertraging = Als je een gebeurtenis lang opschrijft.
Paragraaf 23 Ruimte bladzijde 94 → Alleen doornemen
Paragraaf 37 plot bladzijde 150
- Begin, verloop en einde van wat personage meemaakt: Plot.
Springen tussen verhaallijnen:
- Schrijver springt op een spannend moment naar een ander personage
Afkappen de verhaallijn:
- Cliffhanger: serie stoppen op het spannendste moment. Schrijvers doen dit ook.
Plotwindingen:
- Je denkt te weten hoe het verhaal verder gaat, maar het blijkt anders.
Paragraaf 38 motief bladzijde 154
- 3 soorten:
1. Abstracte motieven: 1. Klein thema 2. Bedrog, eenzaamheid, schuld, angst.
2. Leidmotieven: 1. Concreet, tastbaar terugkerend element. 2. Symbolische functie.
3. Klassieke motieven: 1. Ontleend aan klassieke of Bijbelse verhalen. 2. Thematische gelijkenis tussen het
verhaal en klassiek verhaal. 3. Helpt bij het duiden betekenis.