Kennismaken met Onderzoeksmethoden & Statistiek
Correlationeel
Hoorcollege 1
Onderzoeksvragen
▸Onderzoeksvragen over samenhang of relatie tussen eigenschappen
▸Theorie over onderwerp correlationele onderzoeksvraag relatie tussen eigenschappen
onderzoeken
▸Onderzoeksvraag herkennen aan 3 elementen (PAC):
▪Population: de groep mensen (of dieren of objecten) die onderzoeker wil onderzoeken
▪Association (verband/ relatie): de onderzoeker geeft aan wat voor soort relatie er
verwacht wordt
▪Constructs (theoretische begrippen): de kenmerken die de onderzoeker van de
mensen wil weten/meten en waartussen een verband verwacht wordt
Verbanden
▸Bij vragen over of één bepaald kenmerk een verandering in een ander kenmerk veroorzaakt,
spreken we over causaliteit
▸Causaliteit: onderzoeksvragen die een oorzaak/gevolg verband beschrijven
Voorwaarden causaliteit
1. Covariance (covariantie): Er moet een relatie zijn tussen de oorzaak en het gevolg
2. Temporal precedence (volgorde in tijd): De oorzaak moet in de tijd voorafgaan aan het gevolg
3. Internal validity (interne validiteit): Alternatieve verklaringen voor de gevonden relatie
moeten zijn uitgesloten
Generaliseren
▸Veel onderzoekers willen onderzoeksvragen kunnen generaliseren naar een grotere groep
mensen (de populatie)
▸Dit proces noemen we inferentie
Observatieonderzoek
▸Gegevens verzamelen door feitelijk gedrag te observeren: kijken, luisteren, beoordelen
▸Kan zowel kwalitatief als kwantitatief (getallen vermeld in onderzoeksvraag)
Surveys
▸Vragenlijst/ enquête
▸Op papier, maar ook via internet of de telefoon
▸Gebruikt om gedrag of opinies te meten
▸Groot voordeel:meerdere vragen over hetzelfde onderwerp
▸Zo worden verschillende aspecten van hetzelfde theoretische begrip gemeten
Meetschalen
▸Een veel voorkomende meetschaal bij surveys is de Likert schaal
▸Veel onderzoekers geven de antwoorden een numerieke waarde
▸Wanneer de verschillende antwoorden worden samengevoegd, ontstaat een schaalscore
Generaliseren
▸De onderzoeker wil uiteindelijk de resultaten kunnen generaliseren
Pagina | 1
, ▸Allemaal vragen over de externe validiteit
▸Belangrijke rol voor:
▪Dataverzamelingsmethode
▪Manier waarop de steekproef getrokken wordt
▸Om te kunnen generaliseren is het belangrijk dat onderzoekers beginnen met een aselecte
steekproef
Selecte steekproef
▸Bijv. gemaksteekproef
▸Geen willekeur gebruikt → bias/ vertekening
▸Generaliseren niet/nauwelijks mogelijk
▸Externe validiteit laag
Aselecte steekproef
▸Mensen worden geselecteerd op basis van willekeur
▸Steekproef representatief voor de hele populatie
▸Generaliseren van steekproef naar populatie mogelijk
▸Hoge externe validiteit
▸Basisvorm: simple random sample (enkelvoudige aselecte steekproef)
▸Lijst nodig van iedereen in de populatie
▸Gebruik computer om willekeurig participanten te selecteren
Doelpopulatie: Deel van de populatie dat gedekt is tijdens het proces van steekproeftrekking
Een gestratificeerde steekproef bestaat uit de combinatie van meerdere steekproeven getrokken
uit subgroepen in de populatie.
Vormen aselecte steekproeven
▸Cluster
▪Getrapte steekproef (multistage sampling)
▸Systematische steekproef (nummer 10, 20, 30 etc)
▸Combinaties van steekproeftrektechnieken
Kenmerken meten
1. Fysieke kenmerken
▪Eenvoudig te meten
2. Theoretische begrippen (constructs)
▪Moeten op een of andere manier meetbaar gemaakt worden
Meetbaar maken
▸Het meten van theoretische begrippen bestaat uit twee stappen
1. Wat bedoelt de onderzoeker precies met het begrip?
▪Begrip/ construct/ concept definiëren
▪= conceptuele definitie
2. Hoe gaat de onderzoeker dit begrip meten?
▪Meetinstrument kiezen/bepalen
▪= operationele definitie
Resultaat
▸Wanneer een fysiek kenmerk of een theoretisch begrip eenmaal is geoperationaliseerd,
resulteert dit in een variabele
▪Numerieke waarden
Pagina | 2
Correlationeel
Hoorcollege 1
Onderzoeksvragen
▸Onderzoeksvragen over samenhang of relatie tussen eigenschappen
▸Theorie over onderwerp correlationele onderzoeksvraag relatie tussen eigenschappen
onderzoeken
▸Onderzoeksvraag herkennen aan 3 elementen (PAC):
▪Population: de groep mensen (of dieren of objecten) die onderzoeker wil onderzoeken
▪Association (verband/ relatie): de onderzoeker geeft aan wat voor soort relatie er
verwacht wordt
▪Constructs (theoretische begrippen): de kenmerken die de onderzoeker van de
mensen wil weten/meten en waartussen een verband verwacht wordt
Verbanden
▸Bij vragen over of één bepaald kenmerk een verandering in een ander kenmerk veroorzaakt,
spreken we over causaliteit
▸Causaliteit: onderzoeksvragen die een oorzaak/gevolg verband beschrijven
Voorwaarden causaliteit
1. Covariance (covariantie): Er moet een relatie zijn tussen de oorzaak en het gevolg
2. Temporal precedence (volgorde in tijd): De oorzaak moet in de tijd voorafgaan aan het gevolg
3. Internal validity (interne validiteit): Alternatieve verklaringen voor de gevonden relatie
moeten zijn uitgesloten
Generaliseren
▸Veel onderzoekers willen onderzoeksvragen kunnen generaliseren naar een grotere groep
mensen (de populatie)
▸Dit proces noemen we inferentie
Observatieonderzoek
▸Gegevens verzamelen door feitelijk gedrag te observeren: kijken, luisteren, beoordelen
▸Kan zowel kwalitatief als kwantitatief (getallen vermeld in onderzoeksvraag)
Surveys
▸Vragenlijst/ enquête
▸Op papier, maar ook via internet of de telefoon
▸Gebruikt om gedrag of opinies te meten
▸Groot voordeel:meerdere vragen over hetzelfde onderwerp
▸Zo worden verschillende aspecten van hetzelfde theoretische begrip gemeten
Meetschalen
▸Een veel voorkomende meetschaal bij surveys is de Likert schaal
▸Veel onderzoekers geven de antwoorden een numerieke waarde
▸Wanneer de verschillende antwoorden worden samengevoegd, ontstaat een schaalscore
Generaliseren
▸De onderzoeker wil uiteindelijk de resultaten kunnen generaliseren
Pagina | 1
, ▸Allemaal vragen over de externe validiteit
▸Belangrijke rol voor:
▪Dataverzamelingsmethode
▪Manier waarop de steekproef getrokken wordt
▸Om te kunnen generaliseren is het belangrijk dat onderzoekers beginnen met een aselecte
steekproef
Selecte steekproef
▸Bijv. gemaksteekproef
▸Geen willekeur gebruikt → bias/ vertekening
▸Generaliseren niet/nauwelijks mogelijk
▸Externe validiteit laag
Aselecte steekproef
▸Mensen worden geselecteerd op basis van willekeur
▸Steekproef representatief voor de hele populatie
▸Generaliseren van steekproef naar populatie mogelijk
▸Hoge externe validiteit
▸Basisvorm: simple random sample (enkelvoudige aselecte steekproef)
▸Lijst nodig van iedereen in de populatie
▸Gebruik computer om willekeurig participanten te selecteren
Doelpopulatie: Deel van de populatie dat gedekt is tijdens het proces van steekproeftrekking
Een gestratificeerde steekproef bestaat uit de combinatie van meerdere steekproeven getrokken
uit subgroepen in de populatie.
Vormen aselecte steekproeven
▸Cluster
▪Getrapte steekproef (multistage sampling)
▸Systematische steekproef (nummer 10, 20, 30 etc)
▸Combinaties van steekproeftrektechnieken
Kenmerken meten
1. Fysieke kenmerken
▪Eenvoudig te meten
2. Theoretische begrippen (constructs)
▪Moeten op een of andere manier meetbaar gemaakt worden
Meetbaar maken
▸Het meten van theoretische begrippen bestaat uit twee stappen
1. Wat bedoelt de onderzoeker precies met het begrip?
▪Begrip/ construct/ concept definiëren
▪= conceptuele definitie
2. Hoe gaat de onderzoeker dit begrip meten?
▪Meetinstrument kiezen/bepalen
▪= operationele definitie
Resultaat
▸Wanneer een fysiek kenmerk of een theoretisch begrip eenmaal is geoperationaliseerd,
resulteert dit in een variabele
▪Numerieke waarden
Pagina | 2