Hoofdstuk 12
12.1 Charlie en de freinettechnieken
Freinettechnieken zijn technieken die Célestin Freinet, de onderwijzer uit de
nieuwe-schoolbeweging in zijn school in Zuid-Frankrijk gebruikte. Het schrijven en
drukken van teksten staat centraal. Het gesproken en geschreven woord is heel
erg belangrijk. Zo leren de kinderen zichzelf en hun wereld kennen. Zijn
curriculum begint met het tekenen en spreken; hierop volgt het schrijven; hierop
volgt lezen en via dit spreken, schrijven en lezen verkent het kind zijn wereld.
Ook door te rekenen. De wereldoriëntatievakken bouwen op die verkenningen
voort.
Voorbeelden van freinettechnieken zijn:
Het werken met drukpers (computer en printer);
Het schrijven van teksten;
Het maken van klassenkranten;
De schoolcorrespondentie;
Het opzetten en uitvoeren van kleine onderzoeken;
Het werken met takenkaarten;
Het bespreken van de gang van zaken in de klassenraad.
De technieken leiden tot een nauwe samenwerkingsverband tussen de kinderen.
de klas kan een coöperatieve klas genoemd worden samenwerking tussen
de zwakkere en sterkere kinderen. Wat is er zo kenmerkend aan
freinettechnieken? Als de leerkracht ze toepast, leiden ze tot werkvormen die
kinderen activeren en op hun eigen manier laten leren en denken. Freinet
benadrukte meer dan Montessori, Petersen, Parkhust en Korczak de eigen stem
van het kind. Je kunt tot specifieke instituties komen, bijvoorbeeld tot de
drukkerij, het documentatiecentrum, de klassenkrant, de takenkaarten en de
instructiegroepen. Het belangrijkste instituut is de klassenraad. Hier gaat het het
meest om de stem van het kind. In een coöperatieve klas draagt niet alleen de
leerkracht de verantwoordelijkheid, maar iedereen.
Instituties scheppen orde in de klas. Ze zorgen dat handelingen op elkaar worden
afgestemd. Instituties zijn een vertaling van de symbolische orde. Ze helpen de
kinderen zich naar de (symbolische) orde van de klas te voegen en de rol van de
leerling op zich te nemen. Ze geven betekenis aan hun handelen. Hiervoor is een
doel nodig. Dit is een gezamenlijk doel. De leraar zorgt voor de middelen, kiest
de doelen uit en zorgt voor verschillende instituties. De leraar heeft daarbij een
leidende en begeleidende rol en hij voert de regie uit.
12.2 Wat is opvoeding?
Rousseau vindt dat je mens bent wanneer je vrij bent en je je door een innerlijk,
moreel kompas laat leiden, en niet door van alles uit de omgeving.