College 8 Trauma’s en angsten
Het gaat van adaptief naar problematisch naar psychologisch. Dit heeft te maken met
intensiteit, de duur en de persistentie. + de 4 d’s.
Normaal = meeste kinderen hebben één of twee angsten die bij hun eigen leeftijdsgroep
horen.
Risicofactoren voor angsten:
Genetische predispositie (niet specifieke genen, maar patronen te zien)
Temperament
Cognitie
Onveilige hechting
Educatie en opvoeding
Negatieve levens gebeurtenissen
Verschil tussen fear en anxiety is anxiety is langer.
Angststoornissen verschillen:
Types van wat voor soort object of situatie
Inhoud van de gedachten en gevoelens
Angststoornissen hebben de hoogste prevalentie en hebben een ‘early onset’, dus het
gebeurd al vroeg in het leven van iemand. Het heeft een hoge comorbiteit met onder andere
depressie. Vroege diagnose en behandeling is erg belangrijk en zo kan het verholpen
worden. Vrouwen tot mannen is een ratio van 2 op 1. Het gaat met pieken en dalen.
Nieuwste DSM 5
Geen OCD, acute stress disorder en PTSD meer erbij. De rest wel.
Stoornissen:
Separation anxiety disorder Niet leeftijdsgebonden en buitensporige angst om van
huis te gaan of gehechtheidsfiguren achter te laten
Overmatige bezorgdheid dat zorgverleners schade kunnen oplopen
Aanhoudende weigering om ergens heen te gaan wat scheiding kan veroorzaken
Frequente nachtmerries over scheiding
Terugkerende lichamelijke klachten wanneer dat niet het geval is in de nabijheid van
gehechtheidsfiguren.
Selective Mutism
Een kind laat consequent niet spreken in specifieke sociale situaties
waarin er een verwachting is om te spreken (bijvoorbeeld op school), ondanks het
spreken
in andere situaties.
De stoornis interfereert met leerprestaties en sociale
interactie
, Duur: minimaal 1 maand (niet beperkt tot de eerste maand van school)
Niet toe te schrijven aan een gebrek aan kennis van, of gemak van spreken
De stoornis kan niet beter verklaard worden door andere stoornissen
gaan vaak samen met sociale angststoornis
Vroeg begin
Specifieke fobie
Een angst voor één bepaald object of situatie.
Bijna iedereen heeft wel zoiets waar je erg bang voor bent.
In de DSM dat het functioneren belemmert. En het object moet altijd onmiddellijk en
persistent (meer dan 6 maanden) een angst oproepen bij het persoon.
5 categorieën
Dieren
Natuurlijke omgevingen
Bloed/injecties/verwondingen
Situaties
Anders.
Prevalentie is 7.4%
Jonge onset
Ontwikkeling van een fobie
- Door een enge gebeurtenis
- Informationele transmissie (iemand heeft het vertaald)
- Observationeel leren
Generalized anxiety disorder
Ontwikkelt later in leven (meer zorgen)
Prevalentie = 3%
Overmatige angst en zorgen, gedurende ten minste
6 maanden meer dagen wel dan niet over een aantal gebeurtenissen of activiteiten
Moeite met het beheersen van de zorgen
Geassocieerd met 3 of meer andere symptomen:
Klinisch significante angst of beperking
Niet toe te schrijven aan medicatie, stof of een
andere medische of mentale stoornis
GAD versus normale zorgen
Social anxiety disorder
Prevalentie 2-5%
Het gaat van adaptief naar problematisch naar psychologisch. Dit heeft te maken met
intensiteit, de duur en de persistentie. + de 4 d’s.
Normaal = meeste kinderen hebben één of twee angsten die bij hun eigen leeftijdsgroep
horen.
Risicofactoren voor angsten:
Genetische predispositie (niet specifieke genen, maar patronen te zien)
Temperament
Cognitie
Onveilige hechting
Educatie en opvoeding
Negatieve levens gebeurtenissen
Verschil tussen fear en anxiety is anxiety is langer.
Angststoornissen verschillen:
Types van wat voor soort object of situatie
Inhoud van de gedachten en gevoelens
Angststoornissen hebben de hoogste prevalentie en hebben een ‘early onset’, dus het
gebeurd al vroeg in het leven van iemand. Het heeft een hoge comorbiteit met onder andere
depressie. Vroege diagnose en behandeling is erg belangrijk en zo kan het verholpen
worden. Vrouwen tot mannen is een ratio van 2 op 1. Het gaat met pieken en dalen.
Nieuwste DSM 5
Geen OCD, acute stress disorder en PTSD meer erbij. De rest wel.
Stoornissen:
Separation anxiety disorder Niet leeftijdsgebonden en buitensporige angst om van
huis te gaan of gehechtheidsfiguren achter te laten
Overmatige bezorgdheid dat zorgverleners schade kunnen oplopen
Aanhoudende weigering om ergens heen te gaan wat scheiding kan veroorzaken
Frequente nachtmerries over scheiding
Terugkerende lichamelijke klachten wanneer dat niet het geval is in de nabijheid van
gehechtheidsfiguren.
Selective Mutism
Een kind laat consequent niet spreken in specifieke sociale situaties
waarin er een verwachting is om te spreken (bijvoorbeeld op school), ondanks het
spreken
in andere situaties.
De stoornis interfereert met leerprestaties en sociale
interactie
, Duur: minimaal 1 maand (niet beperkt tot de eerste maand van school)
Niet toe te schrijven aan een gebrek aan kennis van, of gemak van spreken
De stoornis kan niet beter verklaard worden door andere stoornissen
gaan vaak samen met sociale angststoornis
Vroeg begin
Specifieke fobie
Een angst voor één bepaald object of situatie.
Bijna iedereen heeft wel zoiets waar je erg bang voor bent.
In de DSM dat het functioneren belemmert. En het object moet altijd onmiddellijk en
persistent (meer dan 6 maanden) een angst oproepen bij het persoon.
5 categorieën
Dieren
Natuurlijke omgevingen
Bloed/injecties/verwondingen
Situaties
Anders.
Prevalentie is 7.4%
Jonge onset
Ontwikkeling van een fobie
- Door een enge gebeurtenis
- Informationele transmissie (iemand heeft het vertaald)
- Observationeel leren
Generalized anxiety disorder
Ontwikkelt later in leven (meer zorgen)
Prevalentie = 3%
Overmatige angst en zorgen, gedurende ten minste
6 maanden meer dagen wel dan niet over een aantal gebeurtenissen of activiteiten
Moeite met het beheersen van de zorgen
Geassocieerd met 3 of meer andere symptomen:
Klinisch significante angst of beperking
Niet toe te schrijven aan medicatie, stof of een
andere medische of mentale stoornis
GAD versus normale zorgen
Social anxiety disorder
Prevalentie 2-5%