Het klassieke model – Lange Termijn:
•Lange termijn: aanbod centraal
•Het productievolume Y = productiecapaciteit wordt bepaald door:
–de kapitaalgoederenvoorraad (K)
–de beroepsbevolking (L)
–de stand van de technologie (A)
•Y wordt “verdeeld” over C, I en G (+ NX in open economie)
→gesloten economie: de reële rente zorgt voor vraag= aanbod, ook na aanbod- en vraagschokken
→ kleine open economie: de reële wisselkoers zorgt voor vraag = aanbod, ook na aanbod- en
vraagschokken
De geldmarkt staat hier helemaal los van, P is volledig flexibel
Vraag:
•Wat gebeurt er in het klassieke model als G↑?
•Wat verwacht je dat er op korte termijn gebeurt?
Vraag 1 (voor gesloten economie op LT) S daalt (want S = Y-C-G) r stijgt I daalt (want S=I)
denk aan plaatje H3
Y (vast) = C (vast) + I + G als G stijgt met 10, moet I dalen met 10 om Y vast/ op hetzelfde niveau te
houden
Vraag 1 (voor kleine open economie op LT) S daalt S-I daalt, dus NX daalt reële wisselkoers
stijgt
Vraag 2 (voor gesloten economie) G stijgt Y stijgt (veel in het nieuws, denk aan krantenkoppen
over corona virus)
Vragen voor de komende weken:
•Hoe fluctueert de economie op korte termijn?
•Wat verklaart deze fluctuaties?
•Hoe verschilt het model voor de korte termijn met dat van de lange termijn?
•Gaat de klassieke dichotomie nog steeds op? (nee!)
•Hoe kunnende fluctuatiesop korte termijn worden gedempt door fiscaal en monetair beleid?
•Wat voor effect heeft handelsbeleid op de korte termijn?
•Hoe ontwikkelt de economie zich van de korte naar de lange termijn?
•Wat gebeurde er gedurende de Grote Depressie, de Oliecrisis, de Financiële Crisis? Hoe zit het met
de huidige Coronacrisis?
Feiten over de cojunctuurcyclus
‘Boom-bust
cycles’:
,•Gemiddeld genomen groeien de meeste economieën
•Maar economische groei gaat nooit volgens een gelijk patroon
•Dit zorgt voor fluctuaties in inkomen, werkloosheid, consumptie, enz.
•Terugkerend fenomeen: ‘boom-bust cycles’ (‘business cycle’)
•Conform hoofdstuk 3-6, nemen we aan dat er geen sprake is van groei op lange termijn.... !!!!!
Conjunctuurklok:
Terminologie:
,•Laagconjunctuur: economische groei ligt onder de trendmatige ontwikkeling
•Recessie: 'De toestand waarin de economie verkeert wanneer het volume van het bruto
binnenlands product (na correctie voor seizoensinvloeden) twee opeenvolgende kwartalen krimpt'
•Depressie/crisis: langdurig een sterke recessie(bv. Grote Depressie: in de jaren‘30 daalde het BBP
van de VS met 30%, 25% werkloosheid, crisis pas in 1941 ten einde)
N.B.: Er is verschil van mening over de juiste definities
Consumptie is procyclisch:
consumptie beweegt in dezelfde
richting als het BBP
Investeringen zijn ook procyclisch,
maar veel conjunctuurgevoeliger
dan consumptie
Okun’s law:
negatief verband tussen groei
reële BBP en werkloosheid
Werkloosheid en recessies in de
VS:
Werkloosheid neemt
nog een tijd toe na het
eind van een recessie
, Conclusie ‘facts and figures’:
Procyclisch:
•Consumptie
•Investeringen
•Werkgelegenheid, maar ook:
•Geldhoeveelheid
•Reële lonen
•Inflatie
•Aandelenprijzen
•Nominale rentes
Anticyclisch:
•Werkloosheid
•Faillissementen
Acyclisch:
•Reële rentes
‘Leading economic indicators’:
•‘Leading indicators’ gaan gewoonlijk vooraf aan de economische ontwikkeling, zoals:
–nieuwe bestellingen van consumptiegoederen
–index consumenten- en producentenvertrouwen
–M2
–verschil tussen lange- en kortetermijnrente→ gerelateerd aan de “yield-curve”
Yield-curve:
Yield-curve = rentetermijnstructuur: verband tussen de looptijd van leningen en het rendement
ervan
In normale tijden: korte rente < lange rente (door risico verschil)
Inverse yield-curve:
Negatieve helling(‘inverse yield-curve’):
Kan ontstaan door toenemende vraag naar langlopende obligaties en teruglopende vraag naar
kortlopende obligaties
Reden: men voorziet voor de nabije toekomst dat de economie slechter presteert en de centrale bank
daarom de rentes zal verlagen en aandelenkoersen worden naar verwachting lager →vlucht in
veilige, langlopende obligaties
→rente op langlopende obligaties daalt t.o.v. kortlopende obligaties