De Tweede Wereldoorlog
3.1: Het nationaalsocialisme
Na de Eerste Wereldoorlog herstelde de Duitse economie langzaam en was de werkloosheid
hoog. Dit kwam door het Verdrag van Versailles. Duitsland was grote stukken land en zijn
koloniën kwijtgeraakt; ook eisten de geallieerden herstelbetalingen.
Een deel van de bevolking had maar weinig vertrouwen in de democratie en de regerende
politieke partijen. Sommigen waren bang voor een nieuwe communistische revolutie in
Duitsland. In 1920 werd de NSDAP opgericht, met Adolf Hitler als leider. Het
nationaalsocialisme combineerde het fascisme met racisme en fel antisemitisme.
De ideeën van de nationaalsocialisten (nazi’s):
- Eén partij en één leider. Het leidersbeginsel werd in Duitsland aangehangen.
- Nationalisme. Alle Duitsers moesten samen één grote, sterke en welvarende staat
vormen.
- Militarisme. De nazi’s verheerlijkten het soldatenleven.
- Anticommunisme. De nazi’s geloofden in de eenheid van het Duitse volk.
Daarom waren ze fel tegen de communistische klassenstrijd.
- Racisme en antisemitisme. De nazi’s geloofden dat zij ‘Germanen’ waren, een
superieur ‘ras’. Dit ‘ras’ mocht niet worden verzwakt door vermenging met
zogenaamd ‘lagere’ mensensoorten, zoals Joden en Roma en Sinti.
Toen er een economische wereldcrisis uitbrak, werd Duitsland zwaar getroffen. Hitler
beloofde de Duitsers een einde te maken aan de crisis, de werkloosheid en de
‘schande van Versailles’. Veel mensen stemden op Hitler. De nazi’s gebruikten ook
slimme propaganda, om hun ideeën te verspreiden.
Bij de parlementsverkiezingen in 1932 werd de NSDAP de grootste partij van
Duitsland. In 1933 werd Hitler tot rijkskanselier benoemd. Door parlementsleden te
bedreigen en op te sluiten kreeg Hitler voldoende stemmen voor een machtigingswet.
Vanaf maart 1933 had hij onbeperkte macht in Duitsland.
Nadat Hitler en zijn NSDAP alle macht hadden verkregen, verbood hij alle andere
politieke partijen. Politieke tegenstanders liet hij zonder proces opsluiten in
speciale concentratiekampen.
De nazi’s controleerden de burgers en bepaalden wat er in de media kwam.
Kunstenaars mochten alleen werken als ze lid waren van een nationaalsocialistische
beroepsorganisatie. Bij de opvoeding van kinderen werd indoctrinatie gebruikt. Zo
werd Duitsland een totalitaire staat.