EBC Zelfstudie
Uitgebreide zelfstudie 1: Algemene principes van cellulaire signalen waarmee individuele cellen
met elkaar kunnen communiceren
1. Waarom zijn de meeste hormonen van intracellulaire receptoren hydrofoob?
Zodat ze direct door de celmembraan kunnen migreren naar de intracellulaire receptoren in
het cytosol.
2. Probeer nu in eigen woorden de volgorde te vertellen van de gebeurtenissen die
plaatsvinden nadat een ligand bindt aan zijn G-eiwit gekoppelde receptor.
Binding leidt tot conformatie verandering -> detecteerbaar binnenkant cel -> activering GTP-
bindende proteïne -> activatie cascade -> [second messengers] stijgt -> effect.
3. Hoe komt het eigenlijk dat de geactiveerde alfa-subunit van dit G-eiwit na korte tijd niet
meer in de geactiveerde toestand is.
Er is hydrolyse van het G-eiwit, dit gebeurt spontaan na een tijd, waardoor GTP wordt
omgezet in GDP en Pi.
4. Hoezo ‘second messengers’; wat zijn dan ‘first messengers’?
Een first messenger of primair messenger is een stimulus, wat de vrijlating van een signaal
molecuul triggert.
5. Wat is het verschil in mobiliteit tussen de second messengers cAMP, IP 3 en DAG?
cAMP is een intracellulair ‘hormoon’, er wordt RNA gevormd, het heeft invloed op
omgevende cellen. IP3 en DAG hebben invloed op de eigen cel.
6. Hoe komt het dat één intracellulair signaalmolecuul, zoals cAMP, een totaal ander effect kan
hebben in verschillende soorten celtypen.
Dit komt doordat er verschillende proteïnen en receptoren in een cel aanwezig zijn, waar
cAMP aan kan binden en effect op kan uitoefenen.
7. Tyrosine-kinases plakken een fosfaat op de -OH groep van tyrosine. Maar welke aminozuren
fosforyleren de niet-tyrosine-kinases zoals PK-A en PK-C?
PK-C wordt gefosforyleert door DAG met Ca 2+, binding van cAMP op de regulerende subunits
van PK-A fosforyleren het enzym.
8. Omcrikel op de overzichtsfiguur met rood de verschillende G-eiwitten, met blauw de second
messengers en met groen de eiwit/lipide-kinases.
Uitgebreide zelfstudie 1: Algemene principes van cellulaire signalen waarmee individuele cellen
met elkaar kunnen communiceren
1. Waarom zijn de meeste hormonen van intracellulaire receptoren hydrofoob?
Zodat ze direct door de celmembraan kunnen migreren naar de intracellulaire receptoren in
het cytosol.
2. Probeer nu in eigen woorden de volgorde te vertellen van de gebeurtenissen die
plaatsvinden nadat een ligand bindt aan zijn G-eiwit gekoppelde receptor.
Binding leidt tot conformatie verandering -> detecteerbaar binnenkant cel -> activering GTP-
bindende proteïne -> activatie cascade -> [second messengers] stijgt -> effect.
3. Hoe komt het eigenlijk dat de geactiveerde alfa-subunit van dit G-eiwit na korte tijd niet
meer in de geactiveerde toestand is.
Er is hydrolyse van het G-eiwit, dit gebeurt spontaan na een tijd, waardoor GTP wordt
omgezet in GDP en Pi.
4. Hoezo ‘second messengers’; wat zijn dan ‘first messengers’?
Een first messenger of primair messenger is een stimulus, wat de vrijlating van een signaal
molecuul triggert.
5. Wat is het verschil in mobiliteit tussen de second messengers cAMP, IP 3 en DAG?
cAMP is een intracellulair ‘hormoon’, er wordt RNA gevormd, het heeft invloed op
omgevende cellen. IP3 en DAG hebben invloed op de eigen cel.
6. Hoe komt het dat één intracellulair signaalmolecuul, zoals cAMP, een totaal ander effect kan
hebben in verschillende soorten celtypen.
Dit komt doordat er verschillende proteïnen en receptoren in een cel aanwezig zijn, waar
cAMP aan kan binden en effect op kan uitoefenen.
7. Tyrosine-kinases plakken een fosfaat op de -OH groep van tyrosine. Maar welke aminozuren
fosforyleren de niet-tyrosine-kinases zoals PK-A en PK-C?
PK-C wordt gefosforyleert door DAG met Ca 2+, binding van cAMP op de regulerende subunits
van PK-A fosforyleren het enzym.
8. Omcrikel op de overzichtsfiguur met rood de verschillende G-eiwitten, met blauw de second
messengers en met groen de eiwit/lipide-kinases.