Hersenen en gedrag: Oefentoets.
MC: 1 punt
Open vragen: 5 punten
Half goed, 2,5 punten.
26,5 punten = voldoende.
1. Je ziet Bernard een kopje naar zijn mond brengen. Je ziet Roberto een kopje naar zijn oor brengen.
Hoe reageren de spiegelneuronen op deze handelingen?
A. Allebeide reageren ze even sterk.
B. Ze reageren sterker op Bernards actie
C. Ze reageren sterker op Roberto’s actie
D. Ze reageren niet op de acties.
2. Welke emotietheorie heeft de uitgang “Emotie en cognitie beïnvloeden elkaar”?
A. Appraisaltheorie
B. Theorie van de basisemoties
C. Constructionistische theorie.
D. Corticale emotietheorie.
3. Uit een onderzoek blijkt dat 3 hersenstructuren naar voren komen bij het maken van een
koopbeslissing. Welke zijn dat?
A. Nucleus accumbens, amygdala, prefrontale cortex
B. Nucleus accumbens, prefrontale cortex, insula
C. Nucleus accumbens, amygdala, Insula
D. Insula, amygdala, prefrontale cortex
4. Wat is de functie van de amygdala?
A. Dat deze structuur de eigen emotionele toestand en lichamelijke verandering monitort.
B. Dat deze de relevantie van waargenomen stimuli taxeert
C. Dat deze betekenissen aan interne sensaties koppelt.
D. Dat deze de meest eenvoudige lichaamsfuncties reguleert.
5. Wat is waar over de waar-route? De visuele informatie gaat:
A. Via ventrale route naar de partielale cortex.
B. Via ventrale route naar de temporale cortex
C. Via de dorsale route naar de temporale cortex
D. Via de dorsale route naar de partielale cortex.
6. Welke combinatie is correct?
A. Een stemming is langdurig en is losgekoppeld aan een gebeurtenis of object.
B. Een emotie is kortstondig en is gekoppeld aan een gebeurtenis of object.
C. Een emotie is langdurig en is gekoppeld aan een gebeurtenis of object
D. Een stemming is langdurig en is gekoppeld aan een gebeurtenis of object
7. Wat zijn saccades
A. De blinde vlek in je oog
MC: 1 punt
Open vragen: 5 punten
Half goed, 2,5 punten.
26,5 punten = voldoende.
1. Je ziet Bernard een kopje naar zijn mond brengen. Je ziet Roberto een kopje naar zijn oor brengen.
Hoe reageren de spiegelneuronen op deze handelingen?
A. Allebeide reageren ze even sterk.
B. Ze reageren sterker op Bernards actie
C. Ze reageren sterker op Roberto’s actie
D. Ze reageren niet op de acties.
2. Welke emotietheorie heeft de uitgang “Emotie en cognitie beïnvloeden elkaar”?
A. Appraisaltheorie
B. Theorie van de basisemoties
C. Constructionistische theorie.
D. Corticale emotietheorie.
3. Uit een onderzoek blijkt dat 3 hersenstructuren naar voren komen bij het maken van een
koopbeslissing. Welke zijn dat?
A. Nucleus accumbens, amygdala, prefrontale cortex
B. Nucleus accumbens, prefrontale cortex, insula
C. Nucleus accumbens, amygdala, Insula
D. Insula, amygdala, prefrontale cortex
4. Wat is de functie van de amygdala?
A. Dat deze structuur de eigen emotionele toestand en lichamelijke verandering monitort.
B. Dat deze de relevantie van waargenomen stimuli taxeert
C. Dat deze betekenissen aan interne sensaties koppelt.
D. Dat deze de meest eenvoudige lichaamsfuncties reguleert.
5. Wat is waar over de waar-route? De visuele informatie gaat:
A. Via ventrale route naar de partielale cortex.
B. Via ventrale route naar de temporale cortex
C. Via de dorsale route naar de temporale cortex
D. Via de dorsale route naar de partielale cortex.
6. Welke combinatie is correct?
A. Een stemming is langdurig en is losgekoppeld aan een gebeurtenis of object.
B. Een emotie is kortstondig en is gekoppeld aan een gebeurtenis of object.
C. Een emotie is langdurig en is gekoppeld aan een gebeurtenis of object
D. Een stemming is langdurig en is gekoppeld aan een gebeurtenis of object
7. Wat zijn saccades
A. De blinde vlek in je oog