Leerdoelen Rechtsstaat 1: Ethiek, recht en samenleving
Thema: Recht in perspectief: Achtergrond van het Recht & Recht en Moraal (A2)
De student:
• kan uitleggen wat de normatieve functie van het recht is;
• kan beschrijven wat de relatie tussen recht en ethiek (moraal) is;
• kan voorbeelden geven van wederzijdse beïnvloeding van recht en moraal in de
samenleving;
• kan beschrijven wat de verhouding tussen moraal, cultuur, waarden en normen is;
• kan uitleggen hoe culturele programmering tot stand komt;
• kan uitleggen wat begrippen als waarde, norm en deugden betekenen en
voorbeelden geven van waarden, normen en deugden;
• kan eigen waarden en normen benoemen;
• kan beschrijven wat (intuïtieve) morele oordelen zijn;
Begrippen: moraal, ethiek, waarden, normen, deugden, moreel oordeel, cultuur, culturele
programmering, normatieve functie recht, rechtsstaat, law in books, law in action,
rechtssociologie.
Thema: Botsende grondrechten: vrijheden en rechten (A3)
De student:
• kan het begrip vrijheid als morele waarde beschrijven;
• kent het verschil tussen vrijheid van en vrijheid tot;
• kan het schadebeginsel uitleggen;
• weet de verschillende vormen van vrijheid in de grondwet te benoemen;
• kan het verschil beschrijven tussen morele en wettelijke rechten;
• kan het onderscheid tussen klassieke en sociale grondrechten aangeven;
• heeft inzicht in de verhouding tussen de thema’s recht en moraal; vrijheid en welzijn,
individu en groep.
Begrippen: zelfbeschikking, vrijheid van, vrijheid tot, schadebeginsel, klassieke en sociale
grondrechten, algemene rechten, bijzondere rechten, ideëel morele rechten, paternalisme,
moralistische regelgeving (moralisme), segregatie, vrijheid, welzijn, drogredenen.
Thema: Rechtvaardigheid (A5)
De student:
• kan uitleggen wat recht en rechtvaardigheid met elkaar te maken hebben;
• kan verschillende aspecten van rechtvaardigheid onderscheiden;
• kent de relatie tussen (grond)rechten en rechtvaardigheid;
• kan een beschrijving geven van het gelijkheidsprincipe en het ongelijkheidsprincipe
van verdeling;
• kent enkele voorwaarden van procedurele rechtvaardigheid;
• kan begrippen als discriminatie, stereotype en stigmatisering duiden.
Begrippen: rechtvaardigheid, procedurele rechtvaardigheid, fair trial, justitiële dwaling
verdelende rechtvaardigheid, gelijkheidsbeginsel, ongelijkheidsprincipe, verdeling naar
behoefte, verdeling naar verdienste, verdeling naar verworven rechten, discriminatie,
positieve discriminatie, stereotype, stigmatisering, etnisch profileren.
Thema: Recht in perspectief: Achtergrond van het Recht & Recht en Moraal (A2)
De student:
• kan uitleggen wat de normatieve functie van het recht is;
• kan beschrijven wat de relatie tussen recht en ethiek (moraal) is;
• kan voorbeelden geven van wederzijdse beïnvloeding van recht en moraal in de
samenleving;
• kan beschrijven wat de verhouding tussen moraal, cultuur, waarden en normen is;
• kan uitleggen hoe culturele programmering tot stand komt;
• kan uitleggen wat begrippen als waarde, norm en deugden betekenen en
voorbeelden geven van waarden, normen en deugden;
• kan eigen waarden en normen benoemen;
• kan beschrijven wat (intuïtieve) morele oordelen zijn;
Begrippen: moraal, ethiek, waarden, normen, deugden, moreel oordeel, cultuur, culturele
programmering, normatieve functie recht, rechtsstaat, law in books, law in action,
rechtssociologie.
Thema: Botsende grondrechten: vrijheden en rechten (A3)
De student:
• kan het begrip vrijheid als morele waarde beschrijven;
• kent het verschil tussen vrijheid van en vrijheid tot;
• kan het schadebeginsel uitleggen;
• weet de verschillende vormen van vrijheid in de grondwet te benoemen;
• kan het verschil beschrijven tussen morele en wettelijke rechten;
• kan het onderscheid tussen klassieke en sociale grondrechten aangeven;
• heeft inzicht in de verhouding tussen de thema’s recht en moraal; vrijheid en welzijn,
individu en groep.
Begrippen: zelfbeschikking, vrijheid van, vrijheid tot, schadebeginsel, klassieke en sociale
grondrechten, algemene rechten, bijzondere rechten, ideëel morele rechten, paternalisme,
moralistische regelgeving (moralisme), segregatie, vrijheid, welzijn, drogredenen.
Thema: Rechtvaardigheid (A5)
De student:
• kan uitleggen wat recht en rechtvaardigheid met elkaar te maken hebben;
• kan verschillende aspecten van rechtvaardigheid onderscheiden;
• kent de relatie tussen (grond)rechten en rechtvaardigheid;
• kan een beschrijving geven van het gelijkheidsprincipe en het ongelijkheidsprincipe
van verdeling;
• kent enkele voorwaarden van procedurele rechtvaardigheid;
• kan begrippen als discriminatie, stereotype en stigmatisering duiden.
Begrippen: rechtvaardigheid, procedurele rechtvaardigheid, fair trial, justitiële dwaling
verdelende rechtvaardigheid, gelijkheidsbeginsel, ongelijkheidsprincipe, verdeling naar
behoefte, verdeling naar verdienste, verdeling naar verworven rechten, discriminatie,
positieve discriminatie, stereotype, stigmatisering, etnisch profileren.