Inhoudsopgave
Hoofdstuk 17; aanbod van geld ...................................................................................................................... 2
Antwoorden h17 ................................................................................................................................................. 4
Hoofdstuk 18; vraag naar geld en monetair beleid .......................................................................................... 5
Antwoorden h18 ................................................................................................................................................. 8
Hoofdstuk 19; vermogensmarkten.................................................................................................................. 9
Antwoorden H19............................................................................................................................................... 12
Hoofdstuk 10; structuur van de economie .................................................................................................... 14
Antwoorden H10............................................................................................................................................... 18
Hoofdstuk 12; inkomensverdeling ................................................................................................................ 19
Antwoorden H12............................................................................................................................................... 21
Hoofdstuk 13; De overheid en collectiviteit .................................................................................................. 22
Antwoorden H13............................................................................................................................................... 24
Hoofdstuk 15; economische crisis ................................................................................................................. 26
Antwoorden H15............................................................................................................................................... 28
Hoofdstuk 22; vrijhandel en protectionisme ................................................................................................. 29
Antwoorden H22............................................................................................................................................... 35
Hoofdstuk 23; Internationale samenwerking ................................................................................................ 37
Antwoorden H23............................................................................................................................................... 39
• Onder de kopjes ‘antwoorden’ staan de zinnen uitgewerkt van vragen uit de
lesmodule. Wanneer ik deze lastig vond of lastig kon onthouden, maakte ik hier
aantekeningen van.
,Hoofdstuk 17; aanbod van geld
Doordat je met geld ongeveer alles kunt kopen, praat je over ongedifferentieerde
koopkracht (alles uitdrukken in geldwaarde)
Functies van geld
- Ruilmiddelfunctie à wordt aangetast door hoge inflatie (splitsing in twee delen)
- Rekenfunctie à maakt het simpeler waarde te geven aan iets. Hoge inflatie zorgt
voor mindere werking van de rekenfunctie
- Oppotmiddelà vermogen opbouwen. Hoge inflatie verlaagt de waarde van
gespaarde vermogen.
Wat doen mensen bij hyperinflatie?
- Producten kopenà vraag naar producten stijgtà schaarste aan van allesà inflatie
stijgt verder
- Lokale valuta omwisselen in harde valutaà wisselkoers lokale valuta daaltà
importprijzen stijgenà inflatie stijgt verder
Waarop is de waarde van geld gebaseerd? à Vertrouwen in banken, waardedaling door
inflatie
Intrinsieke waarde van geld = de marktwaarde van het materiaal waar het geld uit bestaat
Nominale waarde van geld = waarde die op de munt staat
Centrale banken hebben een monopolie positie op het gebied van uitgifte van geld
Rekeningcouranttegoedà direct opeisbaar geld
Wederzijdse schuldaanvaardingà schuld aan lener van bank en schuld op korte termijn
bank (een lening wordt gestort op een rekening courant).
Door wederzijdse schuldaanvaarding:
- Daalt de liquiditeit = meer crediteuren tov. Constante liquide middelen
- Daalt de solvabiliteit= meer risicodragende debiteuren tov constant kapitaal
Primaire liquiditeitenà de drie geldsoorten (chartaal, giraal)
Secundaire liquiditeitenà vorderingen van het publiek op de geldscheppende banken
(kortlopende spaartegoeden en termijndeposito’s).
Secundaire liquiditeitenmassaà (korts spaargeld en kort termijn deposito’s)
M1 (maatschappelijke geldhoeveelheid of primaire liq massa = munten + bankbiljetten +
girale tegoeden (rkn courant) – geld in kas bij banken (liquid middelen)
M3= Primair + secundaire liquiditeiten = binnenlandse liquiditeitenmassa
Banken passen geldschepping toe om winst te maken (wederzijdse schuldaanvaarding)
,Rentemarge ontstaat door het verschil tussen debet en creditrente
Provisiebedrijfà vaak financiele instellingen die een vergoeding (provisie) vragen voor hun
dienst
Liquiditeità verhouding tussen liquide middelen en schulden van een bank
Solvabiliteità mogelijkheid van de bank om garant te staan voor eventuele verliezen op
debiteuren en het EV (BIS-ratio is een kengetal waar je aan moet voldoen).
Rentabiliteità verhouding tussen winst en EV.
Liquide activaà gebruikt men om verplichtingen te dekken
TVMà girale tegoeden, termijndeposito’s en spaargeld
Antwoord= 10 c en 11 a
, Antwoorden h17
Door het gebruik van geld verhoogt de welvaart omdat de arbeidsproductiviteit erdoor toe
neemt
Door de rekeneenheid functie van geld vermindert het aantal prijzen in een economie
Door inflatie wordt de functie van geld aangetast omdat er geen tijdsverschil meer zit tussen
verkoop van ene goed en aankoop van andere goed.
Inflatie tast de functies van geld aan waardoor kosten van ruilverkeer toenemen
Voor een biljet van 500 geldt dat de nominale waarde gelijk is aan 500.
Wederzijdse schuldaanvaarding leidt bij een bank tot een stijging in debiteuren en Rekening
courant tegoeden. Debet is wat bank krijgt van mensen en rkc is de rekening waar het op
staat.
Wederzijdse schuldervaring leidt tot daling in liquiditeit en solvabiliteit (is minder geld
beschikbaar terwijl het risicodragende vermogen groter wordt)
Het verschil tussen M1 en M3 is de vorderingen van het publiek op banken die snel, massaal
en zonder koersverlies kunnen worden omgezet in geld (kort spaargeld en korte depo’s)
De ECB baseert het monetaire beleid op de ontwikkeling van M3
Geldscheppende bank is te onderscheiden van niet geldscheppende bank door de post op de
balans vanà crediteuren in rekening courant
De liquiditeit van een bank wordt groter wanneer klanten geld overboeken van een
kortlopende naar langlopende spaarrekening (kortlopend is snel opeisbaar, lange niet)
De solvabiliteit van een bank wordt groter als zij een deel van de winst aan de reserves
toevoegt (EV is risicodragend vermogen en reserve is EV)
Rentabiliteit van een bank met ongewijzigde kredietverlening stijgt wanneer de debetrente
stijgt en de creditrente daalt
Creditrenteà rente die consument ontvangt
Debetrenteà rente die bank ontvangt
Hoofdstuk 17; aanbod van geld ...................................................................................................................... 2
Antwoorden h17 ................................................................................................................................................. 4
Hoofdstuk 18; vraag naar geld en monetair beleid .......................................................................................... 5
Antwoorden h18 ................................................................................................................................................. 8
Hoofdstuk 19; vermogensmarkten.................................................................................................................. 9
Antwoorden H19............................................................................................................................................... 12
Hoofdstuk 10; structuur van de economie .................................................................................................... 14
Antwoorden H10............................................................................................................................................... 18
Hoofdstuk 12; inkomensverdeling ................................................................................................................ 19
Antwoorden H12............................................................................................................................................... 21
Hoofdstuk 13; De overheid en collectiviteit .................................................................................................. 22
Antwoorden H13............................................................................................................................................... 24
Hoofdstuk 15; economische crisis ................................................................................................................. 26
Antwoorden H15............................................................................................................................................... 28
Hoofdstuk 22; vrijhandel en protectionisme ................................................................................................. 29
Antwoorden H22............................................................................................................................................... 35
Hoofdstuk 23; Internationale samenwerking ................................................................................................ 37
Antwoorden H23............................................................................................................................................... 39
• Onder de kopjes ‘antwoorden’ staan de zinnen uitgewerkt van vragen uit de
lesmodule. Wanneer ik deze lastig vond of lastig kon onthouden, maakte ik hier
aantekeningen van.
,Hoofdstuk 17; aanbod van geld
Doordat je met geld ongeveer alles kunt kopen, praat je over ongedifferentieerde
koopkracht (alles uitdrukken in geldwaarde)
Functies van geld
- Ruilmiddelfunctie à wordt aangetast door hoge inflatie (splitsing in twee delen)
- Rekenfunctie à maakt het simpeler waarde te geven aan iets. Hoge inflatie zorgt
voor mindere werking van de rekenfunctie
- Oppotmiddelà vermogen opbouwen. Hoge inflatie verlaagt de waarde van
gespaarde vermogen.
Wat doen mensen bij hyperinflatie?
- Producten kopenà vraag naar producten stijgtà schaarste aan van allesà inflatie
stijgt verder
- Lokale valuta omwisselen in harde valutaà wisselkoers lokale valuta daaltà
importprijzen stijgenà inflatie stijgt verder
Waarop is de waarde van geld gebaseerd? à Vertrouwen in banken, waardedaling door
inflatie
Intrinsieke waarde van geld = de marktwaarde van het materiaal waar het geld uit bestaat
Nominale waarde van geld = waarde die op de munt staat
Centrale banken hebben een monopolie positie op het gebied van uitgifte van geld
Rekeningcouranttegoedà direct opeisbaar geld
Wederzijdse schuldaanvaardingà schuld aan lener van bank en schuld op korte termijn
bank (een lening wordt gestort op een rekening courant).
Door wederzijdse schuldaanvaarding:
- Daalt de liquiditeit = meer crediteuren tov. Constante liquide middelen
- Daalt de solvabiliteit= meer risicodragende debiteuren tov constant kapitaal
Primaire liquiditeitenà de drie geldsoorten (chartaal, giraal)
Secundaire liquiditeitenà vorderingen van het publiek op de geldscheppende banken
(kortlopende spaartegoeden en termijndeposito’s).
Secundaire liquiditeitenmassaà (korts spaargeld en kort termijn deposito’s)
M1 (maatschappelijke geldhoeveelheid of primaire liq massa = munten + bankbiljetten +
girale tegoeden (rkn courant) – geld in kas bij banken (liquid middelen)
M3= Primair + secundaire liquiditeiten = binnenlandse liquiditeitenmassa
Banken passen geldschepping toe om winst te maken (wederzijdse schuldaanvaarding)
,Rentemarge ontstaat door het verschil tussen debet en creditrente
Provisiebedrijfà vaak financiele instellingen die een vergoeding (provisie) vragen voor hun
dienst
Liquiditeità verhouding tussen liquide middelen en schulden van een bank
Solvabiliteità mogelijkheid van de bank om garant te staan voor eventuele verliezen op
debiteuren en het EV (BIS-ratio is een kengetal waar je aan moet voldoen).
Rentabiliteità verhouding tussen winst en EV.
Liquide activaà gebruikt men om verplichtingen te dekken
TVMà girale tegoeden, termijndeposito’s en spaargeld
Antwoord= 10 c en 11 a
, Antwoorden h17
Door het gebruik van geld verhoogt de welvaart omdat de arbeidsproductiviteit erdoor toe
neemt
Door de rekeneenheid functie van geld vermindert het aantal prijzen in een economie
Door inflatie wordt de functie van geld aangetast omdat er geen tijdsverschil meer zit tussen
verkoop van ene goed en aankoop van andere goed.
Inflatie tast de functies van geld aan waardoor kosten van ruilverkeer toenemen
Voor een biljet van 500 geldt dat de nominale waarde gelijk is aan 500.
Wederzijdse schuldaanvaarding leidt bij een bank tot een stijging in debiteuren en Rekening
courant tegoeden. Debet is wat bank krijgt van mensen en rkc is de rekening waar het op
staat.
Wederzijdse schuldervaring leidt tot daling in liquiditeit en solvabiliteit (is minder geld
beschikbaar terwijl het risicodragende vermogen groter wordt)
Het verschil tussen M1 en M3 is de vorderingen van het publiek op banken die snel, massaal
en zonder koersverlies kunnen worden omgezet in geld (kort spaargeld en korte depo’s)
De ECB baseert het monetaire beleid op de ontwikkeling van M3
Geldscheppende bank is te onderscheiden van niet geldscheppende bank door de post op de
balans vanà crediteuren in rekening courant
De liquiditeit van een bank wordt groter wanneer klanten geld overboeken van een
kortlopende naar langlopende spaarrekening (kortlopend is snel opeisbaar, lange niet)
De solvabiliteit van een bank wordt groter als zij een deel van de winst aan de reserves
toevoegt (EV is risicodragend vermogen en reserve is EV)
Rentabiliteit van een bank met ongewijzigde kredietverlening stijgt wanneer de debetrente
stijgt en de creditrente daalt
Creditrenteà rente die consument ontvangt
Debetrenteà rente die bank ontvangt