Oefenvragen selectie diergeneeskunde 2022 Utrecht ‘’Nieren en hun functie’’
1. Welke van de onderstaande antwoorden is geen functie van de nieren:
a. Regulatie van het extracellulaire vloeistofvolume en de bloeddruk
b. Ion concentraties constant houden
c. productie adrenaline
d. Regulatie van de osmolariteit
e. Productie van hormonen
f. pH regulatie
g. productie erytropoëtine en renine
h. Excretie van afvalstoffen
Antwoord C: de bijnieren produceren adrenaline, de nieren niet.
2. Wat is de route die water aflegt door de nieren:
1. Nephron
2. Ureter
3. Urethra
4. Blaas
5. Renaal pelvis
a. 2–1–5–3–4
b. 3–2–1-4–5
c. 1–5–2–3–4
d. 1–5–3–2–4
Antwoord C: De nephronen (welke het grootste deel van de nieren uitmaken) modificeren het water
zodat het urine wordt. Vervolgens gaat de urine het renale pelvis naar de ureters en dan naar de
blaas toe. Vanaf de blaas kan de urine via contractie in 1 urethra geperst worden en uitgescheiden
worden.
3. Wat is de naam van de zuurstofarme bloedvaten welke bloed van de nieren naar de vena
cava inferior brengen?
a. Renale arteriën
b. Renale venen
c. Aorta
d. Vasa recta
Antwoord B: venen zijn zuurstofarm (behalve bij de longen). De renale venen brengen het
zuurstofarme bloed van de nieren naar de vena cava inferior zodat dit bloed weer naar de longen kan
gaan om zuurstofrijk te worden.
, 4. Waar bevinden de juxta medullary nephrons zich?
a. Cortex
b. Peritoneum
c. Blaas
d. Medulla
Antwoord D: 80% van de nephronen bevinden zich in de cortex (cortical nephrons), 20% van de
nephronen bevinden zich in de medulla (juxta medullary nephrons)
5. Welke route legt de urine af in een nephron?
1. Kapsel van Bowman
2. Collecting duct
3. Descending limb
4. Lus van Henle
5. Blaas
6. Glomerulus
7. Ascending limb
8. Distale tubuli
9. Proximale tubuli
a. 1–6–3–9–4–8–7–5–2
b. 6–1–9–3–4–7–8–2–5
c. 6–5–9–3–4–7–8–2–1
d. 1–6–9–3–4–7–8–2–5
e. 1 – 6 – 3 – 9 – 4 – 8 – 7– 2 – 5
f. 2–8–7–4–3–9–1–6–5
Antwoord B: zie voor schema figuur 19.1 (g) pagina 627 “Human Physiology An intergrated
approach”
1. Welke van de onderstaande antwoorden is geen functie van de nieren:
a. Regulatie van het extracellulaire vloeistofvolume en de bloeddruk
b. Ion concentraties constant houden
c. productie adrenaline
d. Regulatie van de osmolariteit
e. Productie van hormonen
f. pH regulatie
g. productie erytropoëtine en renine
h. Excretie van afvalstoffen
Antwoord C: de bijnieren produceren adrenaline, de nieren niet.
2. Wat is de route die water aflegt door de nieren:
1. Nephron
2. Ureter
3. Urethra
4. Blaas
5. Renaal pelvis
a. 2–1–5–3–4
b. 3–2–1-4–5
c. 1–5–2–3–4
d. 1–5–3–2–4
Antwoord C: De nephronen (welke het grootste deel van de nieren uitmaken) modificeren het water
zodat het urine wordt. Vervolgens gaat de urine het renale pelvis naar de ureters en dan naar de
blaas toe. Vanaf de blaas kan de urine via contractie in 1 urethra geperst worden en uitgescheiden
worden.
3. Wat is de naam van de zuurstofarme bloedvaten welke bloed van de nieren naar de vena
cava inferior brengen?
a. Renale arteriën
b. Renale venen
c. Aorta
d. Vasa recta
Antwoord B: venen zijn zuurstofarm (behalve bij de longen). De renale venen brengen het
zuurstofarme bloed van de nieren naar de vena cava inferior zodat dit bloed weer naar de longen kan
gaan om zuurstofrijk te worden.
, 4. Waar bevinden de juxta medullary nephrons zich?
a. Cortex
b. Peritoneum
c. Blaas
d. Medulla
Antwoord D: 80% van de nephronen bevinden zich in de cortex (cortical nephrons), 20% van de
nephronen bevinden zich in de medulla (juxta medullary nephrons)
5. Welke route legt de urine af in een nephron?
1. Kapsel van Bowman
2. Collecting duct
3. Descending limb
4. Lus van Henle
5. Blaas
6. Glomerulus
7. Ascending limb
8. Distale tubuli
9. Proximale tubuli
a. 1–6–3–9–4–8–7–5–2
b. 6–1–9–3–4–7–8–2–5
c. 6–5–9–3–4–7–8–2–1
d. 1–6–9–3–4–7–8–2–5
e. 1 – 6 – 3 – 9 – 4 – 8 – 7– 2 – 5
f. 2–8–7–4–3–9–1–6–5
Antwoord B: zie voor schema figuur 19.1 (g) pagina 627 “Human Physiology An intergrated
approach”