Door Luuk Droogendijk
,OHZ – H1
Paragraaf 1
Bij causation staat het doel van een onderneming vast en wordt er gezocht naar middelen
waarmee je dit doel kunt bereiken.
Er is een causaal verband tussen twee dingen als de ene de ander veroorzaakt.
Bij effectuation gaat een ondernemer uit van de middelen die hij heeft en heeft hij geen
concrete doelen. Hierbij probeer je onvoorspelbare dingen in jouw voordeel te laten werken.
Dit wordt ook wel het creatieve beslismodel genoemd. Er is hier sprake van een dynamisch
proces want zijn middelen kunnen veranderen en dus ook zijn doelen.
Paragraaf 2
Bij Effectuation zijn er vijf principes die centraal staan:
Het ‘bird in hand’-principe: Kijk welke middelen je hebt en ga daarmee aan de slag.
Het ‘affordable loss’-principe: Kijk wat je bereid bent om te verliezen.
Het ‘lemonade’-pricipe: Toevallige gebeurtenissen zien als iets waarmee je te maken
krijgt en in je voordeel draaien.
Het ‘crazy quilt’-principe: opzoek naar partners en nieuwe ideeën
Het ‘pilot in the plane’-principe: niet de toekomst voorspellen maar zelf maken.
OHZ – H3
In een ondernemingsplan zet je de plannen voor je bedrijf op een rij, dit moet vooral externe
partijen een goed beeld geven van je onderneming. Een ondernemingsplan bestaat meestal
uit vier delen:
De ondernemer: Laat zien wie je bent. Bv. persoonlijke gegevens, je opleiding etc.
De onderneming: Bedrijfsgegevens (Bv adres en juridische vorm), welke goederen
en/of diensten je aanbiedt, de missie en visie van je bedrijf. Meet doelstellingen
volgens het SMART-principe (Specifieke, Meetbaar, Aanvaardbaar, Realistisch,
Tijdgebonden.
Het marketingplan: Een rapport van alle commerciële inspanningen om bepaalde
doelstellingen te halen, breng ook de sterke en zwakke kanten van de onderneming
in kaart.
De Financiën: Hierin komt een investeringsplan (vaste en vlottende activa), een
financieringsplan (EV en VV), een openingsbalans, een liquiditeitsbegroting (zie BS),
een resultatenbegroting (zie BS) en een persoonlijke begroting.
2
,INV – H1
Investeringen beoordelen
Als een ondernemer investeert, schat hij met liquide middelen activa aan, hiervan is de
bedoeling dat dit nu geld kost (negatieve cashflow/kasstroom) maar later meer geld oplevert
(positieve cashflow/kasstroom). Soms moet je kiezen tussen investeringen, dan kan je
verschillende methodes gebruiken.
De terugverdienperiode is de periode waarin de investering zichzelf terugverdiend heeft, als
je een keuze moet maken tussen twee gelijke (behalve de terugverdienperiode) investering
opties, kan je het beste degene kiezen met de kortste terugverdienperiode, maar als je te
veel waarde aan de terugverdienperiode hecht kan dit nogal wat nadelen hebben.
Je kan ook de netto contante waarde (NCW) uitrekenen van een investering, je kiest dan de
investering met de hoogste NCW, een investering met een negatieve NCW kies je in principe
niet.
CW positieve cashflows = CW jaarlijkse cashflows + CW restwaarde
NCW = CW jaarlijkse cashflows + CW restwaarde – investering
Bij een gevoeligheidsanalyse wordt er gekeken wat er gebeurt met de NCW als er een
afwijking zit in de variabele (bijvoorbeeld CW restwaarde, CW jaarlijkse cashflows, etc.), bij
een gevoeligheidsanalyse kan je het beste kijken naar hoeveel procent de nieuwe NCW
afwijkt, in plaats van te kijken naar hoeveel euro het afwijkt van de oude NCW.
3
, INV – H2
Intrinsieke waarde
De intrinsieke waarde van een bedrijf is gelijk aan het eigen vermogen (alleen bij een
eenmanszaak of vof) of het verschil tussen de waardes van de activa en het vreemd
vermogen (bij bv of nv), dit gaat via de volgende optelsom:
Intrinsieke waarde = (maatschappelijk aandeelvermogen – aandelen in portefeuille) +
agioreserve + winstreserves + wettelijke reserves + (nettowinst – vennootschapsbelasting)
Vaak wordt er bij het bepalen van de intrinsieke waarde een due-dilligenceonderzoek
gedaan om de balansposten te controleren.
Rentabiliteitswaarde
Bij de rentabiliteitswaarde wordt gekeken naar de resultatenrekening, alle posten worden
gefilterd en gekeken of ze normaal zijn, hierna heb je de genormaliseerde nettowinst. De
rentabiliteitswaarde heeft nogal wat nadelen: zo neem je aan dat de nettowinst hetzelfde zal
blijven.
De (vermogens)kostenvoet is het percentage dat minimaal behaald moet worden om het
genomen risico te rechtvaardigen. Je berekent dit door een optelsom van het risciovrije
rendement op staatsobligaties en een risico-opslag.
Je kan berekenen hoeveel een bedrijf waard is door: genormaliseerde
nettowinst/kostenvoet percentage = rentabiliteitswaarde
Liquidatiewaarde
De waarde die je berekent als een bedrijf gedwongen verkocht moet worden.
Liquidatiewaarde = directe verkoopwaarde bezittingen – schulden
4