Economie
Gedragseconomie, 4VWO H.1 - H.4
1. Is de mens rationeel?
Rationeel handelende mensen maken keuzes op basis van volledige informatie, ze begrijpen wat ze het liefste
zouden willen en ze kunnen overzien wat de gevolgen van hun keuzes zijn
zo ontstaat er altijd een evenwicht tussen vraag en aanbod
Omdat mensen zich laten beïnvloede door subjectieve motieven is er sprake van begrensde rationaliteit
subjectief = mensen zijn begrensd in geheugen, kennisverwerking, rekenkundige capaciteiten, wilskracht en
informatieverwerking
ook al zijn mensen misschien niet volledig rationeel, zolang een groep gemiddeld wel rationele keuzes
maakt, kunnen we [de economen] onze ideeën over de rationele mensen blijven gebruiken
Neoklassieke economen = willen gedrag van mensen aan de hand van modellen over bijvoorbeeld vraag en
aanbod analyseren
homo economicus = de homo economicus gedraagt zich altijd rationeel, handelt egoïstisch, kan
onbelemmerd ingewikkelde afwegingen maken en vertoont nooit systematische fouten
Gedragseconomie = het realistischer maken van de economie door er psychologische invloeden in te
verwerken
Systematische verschillen = mensen maken allemaal dezelfde fouten
oplossing: simpele oplossingen bedenken en met die beperking om te gaan ‘simple heuristics that makes
us smart’
systematisch irrationele uitkomsten: deze uitkomsten zijn voorspelbaar
2. Consumentengedrag: voorspelbaar en systematisch
irrationeel
Mensen zijn beter in het maken van relatieve vergelijkingen dan in het maken van absolute vergelijkingen (=
losstaand van relaties tot elkaar een vergelijking maken tussen producten op basis van de prijs, niet in termen
van duurder of goedkoper dan)
hoeveel iets waard is, is voor een consument makkelijker te bepalen als er alternatieven zijn mensen zijn
ook nog geneigd om niet voor extremen te kiezen
Lokvogels = extra informatiebronnen die ervoor zorgen dat je kunt vergelijken
hersenen worden misleid door vergelijkingsmateriaal toe te voegen. Vergelijken is voor mensen dus
gemakkelijker dan een absolute waarde toekennen
Relatieve opofferingskosten = kosten van het alternatief dat niet wordt gekozen in relatie tot dat wat wel
wordt gekozen
Mensen blijken meer moeite te hebben met het maken van keuzes op basis van absolute voorkeuren. Mensen
zijn eerder geneigd om vergelijkingen te maken
aanzien/status en wat de omgeving vindt, spelen ook een grote rol
Arbitraire coherentie (willekeurige samenhang) = dingen uit het verleden zijn referentiekaders die je gebruikt
bij vervolgacties
als er productdifferentiatie wordt toegepast, kan je referentiekader veranderen
1
Gedragseconomie, 4VWO H.1 - H.4
1. Is de mens rationeel?
Rationeel handelende mensen maken keuzes op basis van volledige informatie, ze begrijpen wat ze het liefste
zouden willen en ze kunnen overzien wat de gevolgen van hun keuzes zijn
zo ontstaat er altijd een evenwicht tussen vraag en aanbod
Omdat mensen zich laten beïnvloede door subjectieve motieven is er sprake van begrensde rationaliteit
subjectief = mensen zijn begrensd in geheugen, kennisverwerking, rekenkundige capaciteiten, wilskracht en
informatieverwerking
ook al zijn mensen misschien niet volledig rationeel, zolang een groep gemiddeld wel rationele keuzes
maakt, kunnen we [de economen] onze ideeën over de rationele mensen blijven gebruiken
Neoklassieke economen = willen gedrag van mensen aan de hand van modellen over bijvoorbeeld vraag en
aanbod analyseren
homo economicus = de homo economicus gedraagt zich altijd rationeel, handelt egoïstisch, kan
onbelemmerd ingewikkelde afwegingen maken en vertoont nooit systematische fouten
Gedragseconomie = het realistischer maken van de economie door er psychologische invloeden in te
verwerken
Systematische verschillen = mensen maken allemaal dezelfde fouten
oplossing: simpele oplossingen bedenken en met die beperking om te gaan ‘simple heuristics that makes
us smart’
systematisch irrationele uitkomsten: deze uitkomsten zijn voorspelbaar
2. Consumentengedrag: voorspelbaar en systematisch
irrationeel
Mensen zijn beter in het maken van relatieve vergelijkingen dan in het maken van absolute vergelijkingen (=
losstaand van relaties tot elkaar een vergelijking maken tussen producten op basis van de prijs, niet in termen
van duurder of goedkoper dan)
hoeveel iets waard is, is voor een consument makkelijker te bepalen als er alternatieven zijn mensen zijn
ook nog geneigd om niet voor extremen te kiezen
Lokvogels = extra informatiebronnen die ervoor zorgen dat je kunt vergelijken
hersenen worden misleid door vergelijkingsmateriaal toe te voegen. Vergelijken is voor mensen dus
gemakkelijker dan een absolute waarde toekennen
Relatieve opofferingskosten = kosten van het alternatief dat niet wordt gekozen in relatie tot dat wat wel
wordt gekozen
Mensen blijken meer moeite te hebben met het maken van keuzes op basis van absolute voorkeuren. Mensen
zijn eerder geneigd om vergelijkingen te maken
aanzien/status en wat de omgeving vindt, spelen ook een grote rol
Arbitraire coherentie (willekeurige samenhang) = dingen uit het verleden zijn referentiekaders die je gebruikt
bij vervolgacties
als er productdifferentiatie wordt toegepast, kan je referentiekader veranderen
1